Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8827

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01900/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

5 december 2000

Strafkamer

nr. 01900/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van

3 juni 1999, parketnummer 21/000028-99, alsmede tegen alle op de terechtzitting

van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te

[woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak verblijvende in het Huis van

Bewaring “Zwaag” te Zwaag.

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 22 december 1998 - de verdachte ter zake van 1. “doodslag” en 2. “een lijk vernietigen, verbergen, wegvoeren en wegmaken, gepleegd met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen” veroordeeld tot twaalf

jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te ‘s-Gravenhage, eveneens bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, dat de Hoge Raad een nieuwe gevangenisstraf zal bepalen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van het tweede middel van de raadsman

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging ter zake van het onder 2 tenlastegelegde ten onrechte, althans onjuist gemotiveerd heeft verworpen.

3.2.1. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang.

3.2.2. In de inleidende dagvaarding is volstaan met een opgave van het feit als bedoeld in art. 261, derde lid, Sv. Die voorlopige tenlastelegging betreft primair het (mede)plegen van moord, subsidiair het (mede)plegen van doodslag op een man (waarschijnlijk [het slachtoffer]) in de periode van 1 januari 1998 tot en met 19 februari 1998 te Arnhem.

3.2.3. Bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg is deze dagvaarding op de voet van art. 314a Sv in overeenstemming gebracht met de eisen van het eerste en het tweede lid van art. 261 Sv. De gewijzigde tenlastelegging bevat:

(a) onder 1 een aantal juridische varianten van de wijze waarop de verdachte betrokken zou zijn geweest bij het veroorzaken van de dood van [het slachtoffer], en

(b) onder 2 het verwijt dat de verdachte in of omstreeks de periode van 30 januari 1998 tot en met 19 februari 1998 te Arnhem, althans in Nederland, zich heeft schuldig gemaakt aan het (mede)plegen van het vernietigen, verbergen, wegvoeren en/of wegmaken van het lijk van [het] voornoemde [slachtoffer], zulks met oogmerk om het feit of de oorzaak van diens overlijden te verhelen.

3.2.4. Blijkens de pleitnota die is gehecht aan het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 1999 heeft de raadsman aldaar een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar

Ministerie in zijn vervolging ter zake van feit 2. Aan dit verweer ligt ten grondslag de stelling dat de Rechtbank in strijd met art. 314a Sv de hiervoor onder 3.2.3 sub (b) vermelde, door de Officier van Justitie gevorderde wijziging van de voorlopige tenlastelegging heeft toegelaten.

3.2.5. Het Hof heeft dit verweer verworpen. Daartoe heeft het Hof onder meer het volgende overwogen:

“Uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat aanpassing van een voorlopige tenlastelegging zoals bedoeld in lid 3 van voormeld artikel niet beperkt is tot de gevallen waarin die omschrijving niet voldoet aan de in artikel 261, eerste en tweede lid gestelde eisen en dat niet uitgesloten is dat andere feiten dan welke vermeld zijn in de voorlopige omschrijving ingevolge een vordering als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering in de tenlastelegging worden opgenomen.

Daarbij verdient opmerking dat de belangen van de verdediging in zodanige gevallen worden beschermd doordat in art. 314a, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering het bepaalde in de artikelen 313 (met uitzondering van de laatste volzin) en 314 van het Wetboek van Strafvordering toepasselijk is verklaard. Redelijke wetstoepassing brengt ook mee dat de wijziging van de voorlopige tenlastelegging ingevolge artikel 314a welke bestaat uit een uitbreiding daarvan met een feit, als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, slechts dan niet toelaatbaar is indien elk verband tussen de feiten, die overeenkomstig het bevel gevangenhouding of gevangenneming zijn opgenomen in de voorlopige tenlastelegging, en het feit in de gewijzigde tenlastelegging ontbreekt.

Het hof is van oordeel dat het hiervoor genoemde verband tussen de feiten in de gewijzigde tenlastlegging geenszins ontbreekt, gelet op de in feit 2 beschreven handelingen, die beschouwd kunnen worden als een vervolg op de handelingen die in feit 1 worden beschreven”.

3.3. Gelet op de strekking van art. 314a Sv, brengt een redelijke uitleg van deze bepaling mee dat de daarin voorziene wijziging van een voorlopige tenlastelegging slechts dan niet kan worden toegelaten indien die wijziging ertoe zou leiden dat elk verband ontbreekt tussen de gedragingen die in de voorlopige tenlastelegging zijn omschreven, en de gedragingen die in de gewijzigde tenlastelegging zijn omschreven (vgl. HR 24 maart 1998,

NJ 1998, 535 en HR 20 oktober 1998, NJ 1999, 52).

3.4. Hieruit volgt dat het hiervoor onder 3.2.5 weergegeven oordeel van het Hof dat de door de Officier van

Justitie gevorderde wijziging van de voorlopige tenlastelegging toelaatbaar is nu er verband bestaat tussen de onder 3.2.3 sub (b) en 3.2.2 bedoelde feiten, niet blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in art. 314a Sv terwijl het toereikend is gemotiveerd.

3.5. Daarvan uitgaande heeft het Hof het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging ter zake van het in de gewijzigde tenlastelegging onder 2 omschreven feit terecht verworpen.

3.6. Het middel faalt derhalve.

4. Beoordeling van het eerste middel van de raadsman en het vijfde middel van de verdachte

4.1. De middelen behelzen de klacht dat in de cassatiefase de redelijke termijn is overschreden, hetgeen volgens het middel van de raadsman dient te leiden tot strafvermindering.

4.2. De verdachte, die in voorlopige hechtenis verkeert, heeft op 9 juni 1999 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 14 april 2000 ter griffie van

de Hoge Raad binnengekomen.

4.3. In aanmerking genomen:

(a) dat tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen ruim tien maanden zijn verstreken, en

(b) dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van ruim tien maanden zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

4.4. De middelen zijn dus terecht voorgesteld.

4.5. De gegrondheid van de middelen leidt tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan het Hof hem voordat sprake was van overschrijding van die termijn heeft opgelegd. De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, de straf verminderen als hieronder vermeld.

5. Beoordeling van de overige middelen van de verdachte

5.1. De Hoge Raad stelt voorop dat voor onderzoek door de cassatierechter alleen in aanmerking komen middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in de schriftuur vervatte grieven die niet voldoen aan dit vereiste, moeten derhalve onbesproken blijven.

5.2. Voorzover de schriftuur naast het hierboven reeds besproken vijfde middel nog andere middelen van cassatie bevat kunnen zij niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu zij niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Aangezien de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze zodanig dat de opgelegde gevangenisstraf beloopt elf jaar en vijf maanden;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 5 december 2000.