Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8825

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01926/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8825
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 239 Sr niet strijdig met art. 7 EVRM: geen vage norm.

Hof: gelet op de rechtspraak van het EHRM - met name de arresten inzake Kokkinakis tegen Griekenland (25 mei 1993),Müller tegen Zwitserland (24 mei 1988), Hertel tegen Zwitserland (25 augustus 1998) en Hashman en Harrup tegen het Verenigd Koninkrijk (25 november 1999) - is geen sprake van strijd met art. 7 EVRM, zeker nu blijkens de jurisprudentie van de HR schennis van de eerbaarheid ex art. 239 Sr zich voordoet wanneer iemand op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, willens en wetens een onder de gegeven omstandigheden voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel kwetsende handelingen verricht. HR: aldus heeft het hof het verweer dat art. 239 Sr in strijd is met art. 7 EVRM terecht en op goede gronden verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 651
NJ 2001, 98

Uitspraak

5 december 2000

Strafkamer

nr. 01926/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 februari 2000, met parketnummer 23/000979-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 1 oktober 1998 - de verdachte ter zake van "schennis van de eerbaarheid op een plaats voor het openbaar verkeer bestemd" veroordeeld tot één week gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van een in hoger beroep gevoerd verweer, inhoudende dat de strafbaarstelling van art. 239 Sr in strijd is met art. 7 EVRM.

3.2. Het Hof heeft het onder 3.1 bedoelde verweer onder het hoofd "6. De Strafbaarheid van het feit" verworpen.

3.3. Aldus heeft het Hof het verweer terecht en op goede gronden verworpen. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 5 december 2000.