Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8734

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-11-2000
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
C00/220HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8734
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 7
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 8
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 76
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 91
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 92
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 93
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 589
NJ 2002, 32 met annotatie van H.J. Snijders
RvdW 2000, 238
JWB 2000/231
AA20010459 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 november 2000

Eerste Kamer

Nr. C00/220HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.L. Hofdijk,

t e g e n

de vennootschap onder firma [VERWEERSTER], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in cassatie

Bij dagvaarding van 6 juli 2000 heeft eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - aan verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - aangezegd dat hij beroep in cassatie instelt tegen het op 6 april 2000 tussen partijen gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, en [verweerster] gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Hoge Raad van 14 juli 2000. [Eiser] heeft de zaak niet ter rolle doen inschrijven.

Op 12 juli 2000 heeft [eiser] een herstelexploit doen uitbrengen, waarin als nieuwe rechtsdag vrijdag 21 juli 2000 werd aangezegd. Op die dag had de Hoge Raad geen zitting, zodat de zaak niet ter rolle kon worden ingeschreven.

Op 19 juli 2000 heeft [eiser] opnieuw een herstelexploit doen uitbrengen, waarin als nieuwe rechtsdag vrijdag 11 augustus 2000 werd aangezegd. [Eiser] heeft de zaak ter rolle doen inschrijven.

[Verweerster] is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 11 augustus 2000 niet verschenen. [Eiser] heeft gevraagd tegen [verweerster] verstek te verlenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verlening van het gevraagde verstek.

2. Beoordeling van het verzoek tot verstekverlening

In de op 6 juli 2000 uitgebrachte dagvaarding is de in de art. 7 lid 1 en 8 Rv. voorgeschreven termijn van dagvaarding niet in acht genomen. Uit art. 91 lid 1 Rv. volgt dat hetgeen in de art. 7 en 8 is voorgeschreven op straffe van nietigheid moet worden in acht genomen. De dagvaarding lijdt dus aan een gebrek dat nietigheid meebrengt.

Art. 92 lid 1 Rv. bepaalt dat een gebrek in een dagvaarding, dat nietigheid meebrengt, bij deurwaardersexploit, uitgebracht voor de dienende dag, kan worden hersteld.

Als herstelexploit kan slechts gelden een exploit dat een nieuwe rechtsdag aanzegt en dat gevolgd wordt door inschrijving ter rolle van die aangezegde rechtsdag (HR 17 september 1993, nr. 15086, NJ 1993, 741).

Het op 12 juli 2000 uitgebrachte exploit is uitgebracht voor de in art. 92 lid 1 bedoelde, in de dagvaarding vermelde dienende dag, maar bevatte een oproeping tegen een nieuwe dag waarop de Hoge Raad geen zitting hield, zodat de zaak niet ter rolle kon worden ingeschreven en niet op de aangezegde dag heeft gediend. Aan dit exploit dient geen enkel gevolg te worden verbonden.

Het op 19 juli 2000 uitgebrachte exploit is niet voor de in art. 92 lid 1 bedoelde, in de dagvaarding vermelde dienende dag uitgebracht, zodat door dit exploit het gebrek in de dagvaarding niet is hersteld.

Nu de in art. 76 bedoelde termijnen en formaliteiten niet zijn in acht genomen, moet het gevraagde verstek worden geweigerd.

3. Beslissing

De Hoge Raad weigert het gevraagde verstek en verstaat dat de instantie is geëindigd.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 24 november 2000.