Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8732

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/013HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8732
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 605
JWB 2000/230

Uitspraak

1 december 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/013HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. W.I. Wisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploiten van 9 februari 1989 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser 1] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en na wijziging van eis gevorderd bij vonnis zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [Eiser 1] c.s. te veroordelen tot vergoeding van de schade van verweerster in cassatie sub 1 - verder ook te noemen: de B.V. - ten gevolge van het feit dat [eiser 1] c.s. de afspraken met verweerder in cassatie sub 2 - verder te noemen: [verweerder 2] - ten aanzien van deelname in het geplaatst kapitaal van de B.V. en verschaffing van financiële middelen voor de dekking van kosten niet zijn nagekomen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

2. [Eiser 1] c.s. te veroordelen aan [verweerder 2] te vergoeden de schade welke het gevolg is van de wanprestatie van [eiser 1] c.s., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Eiser 1] c.s. hebben zich verzet tegen de wijziging c.q. vermeerdering van eis en de vorderingen bestreden.

Bij rolbeschikking van 5 oktober 1995 heeft de Rechtbank vorenbedoeld verzet ongegrond verklaard.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 9 januari 1997 de vorderingen van [verweerder] c.s. afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 29 september 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd, en opnieuw rechtdoende, [eiser 1] c.s. veroordeeld tot vergoeding van de schade die de B.V. en/of [verweerder 2] hebben/heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van [eiser 1] c.s., bestaande in het niet-nakomen van de verbintenis ieder voor 25% als aandeelhouder deel te nemen in voornoemde B.V., op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser 1] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser 1] c.s. in de kosten.

De advocaat van [eiser 1] c.s. heeft bij brief van 14 september 2000 gereageerd op die conclusie.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

(i) Tussen [eiser 1] c.s. (hierna ook afzonderlijk [eiser 1] en [eiseres 2]), en [verweerder 2] (verweerder in cassatie sub 2) zijn de mogelijkheden besproken om tot een nauwe samenwerking te komen en een besloten vennootschap op te richten. In dat kader hebben zij omstreeks januari 1984 besloten dat de aandelen in de op te richten vennootschap [verweerster 1] zullen worden gehouden door [eiser 1], [eiseres 2] en de echtelieden [verweerder 2], waarbij ieder voor 25% zal deelnemen en ieder ƒ 9.000,-- moet storten. Voorts werden - onder meer - afspraken gemaakt betreffende een eenmalige vergoeding aan [verweerder 2], een directeurspositie voor [verweerder 2], een lening te verstrekken door [A] B.V.[..] aan [verweerder 2] en garanties betreffende die schuld te verstrekken door het echtpaar [verweerder 2].

(ii) Op 16 maart 1984 is door [verweerder 2] en zijn echtgenote de besloten vennootschap [verweerster 1] (verweerster in cassatie sub 1, hierna: [verweerster 1]) opgericht. In de oprichtingsakte is vermeld dat 360 aandelen zijn geplaatst en dat ieder der comparanten zal deelnemen voor 180 aandelen.

(iii) Bij brief van 23 maart 1984 heeft [A B.V.] aan het echtpaar [verweerder 2] meegedeeld dat zij haar standpunt herziet en niet meer voor 50% zal deelnemen aan de B.V. in oprichting. Als reden wordt onder meer opgegeven dat de financiële positie van [verweerder 2] zodanig is, dat kans op slagen met die partner vrijwel nihil is.

(iv) [Verweerder] c.s. vorderen in deze procedure van [eiser 1] c.s. vergoeding van schade (op te maken bij staat) ten gevolge van het feit dat [eiser 1] c.s. de afspraken met [verweerder 2] ten aanzien van deelname in het geplaatst kapitaal van [verweerster 1] en de verschaffing van financiële middelen voor de dekking van kosten niet zijn nagekomen.

3.2.1 De Rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft - voor zover in cassatie van belang - overwogen:

"5.2 De vordering van eisers is primair gebaseerd op wanprestatie van gedaagden.

Vaststaat dat eind januari 1984 is overeengekomen dat gedaagden ieder voor 25% als aandeelhouder zouden deelnemen in de BV.

Voorts staat vast, dat gedaagden deze verbintenis niet zijn nagekomen.

5.3 In beginsel leidt een dergelijk niet nakomen tot schadeplichtigheid van de niet-nakomende partij.

Het antwoord op de vraag, of dat ook hier het geval is, kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven, omdat ook wanneer dat antwoord bevestigend luidt, de vorderingen van eisers afgewezen moeten worden om de hierna uiteen te zetten reden."

Vervolgens heeft de Rechtbank overwogen dat voor vergoeding slechts in aanmerking komen het door eisers geleden verlies en de door hen gederfde winst die een onmiddellijk en dadelijk gevolg zijn van het niet nakomen van de verbintenis door gedaagden, doch dat eisers onvoldoende hebben gesteld om de mogelijkheid aannemelijk te achten dat zij een dergelijke schade hebben geleden.

3.2.2 Op het hoger beroep van [verweerder] c.s. heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en [eiser 1] c.s. veroordeeld tot vergoeding van de schade die [verweerster 1] of [verweerder 2] heeft geleden, op te maken bij staat.

Het Hof heeft - samengevat - als volgt overwogen:

a.) De Rechtbank heeft onder 5.2 vastgesteld dat [eiser 1] c.s. zich jegens [verweerder] c.s. hebben schuldig gemaakt aan wanprestatie doordat zij niet hebben voldaan aan hun verplichting ieder voor 25% deel te nemen in [verweerster 1]

b.) [Verweerder] c.s. hebben, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, voldoende gesteld om aannemelijk te doen zijn dat door de wanprestatie schade is of zal worden geleden. De schade bestaat in ieder geval al uit de tweemaal ƒ 9.000,-- die had moeten worden gestort door [eiser 1] c.s. Verder is de mogelijkheid aannemelijk dat [verweerder 2] schade heeft geleden doordat hij ten gevolge van de wanprestatie in de situatie is geraakt dat hij op grond van borgstelling is aangesproken voor schulden van [verweerster 1] Dit een en ander is voldoende om de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure toe te wijzen.

3.3 Onderdeel 1 van het middel bestrijdt het oordeel van het Hof, dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat [eiser 1] c.s. jegens [verweerder] c.s. wanprestatie hebben gepleegd, terecht als onbegrijpelijk. Hetgeen de Rechtbank in haar rov. 5.2 en 5.3 heeft overwogen laat immers geen andere uitleg toe dan dat zij weliswaar heeft geoordeeld dat [eiser 1] c.s. hun verbintenis tot deelneming in [verweerster 1] niet zijn nagekomen, maar vervolgens in het midden heeft gelaten of dat voor hen tot schadeplichtigheid jegens [verweerder] c.s. leidde, zodat ook de vraag of wanprestatie is gepleegd niet is beantwoord.

3.4 Onderdeel 2 komt op tegen de beslissing van het Hof de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Nu uit het hiervoor in 3.3 overwogene volgt dat in deze zaak de verplichting tot vergoeding van schade niet vaststaat, kan het onderdeel buiten behandeling blijven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 29 september 1998;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] c.s. begroot op ƒ 758,83 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 1 december 2000.