Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8729

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/060HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming 6, geldigheid: 2000-12-01
Wet bodembescherming 13, geldigheid: 2000-12-01
Wet bodembescherming 75, geldigheid: 2000-12-01
Wet bodembescherming 8 (oud), geldigheid: 2000-12-01
Wet bodembescherming 14 (oud), geldigheid: 2000-12-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2001/94 met annotatie van Bos
JBO 2005/459
JBO 2005/474
JOL 2000, 608
NJ 2003, 370
RvdW 2000, 243
Milieurecht Totaal 2000/1286
JWB 2000/229

Uitspraak

1 december 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/060HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer), gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - heeft bij exploit van 28 oktober 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem en een vordering ingesteld, die na latere wijziging van eis inhield [verweerster] te veroordelen om aan de Staat te betalen (a) een bedrag van ƒ 719.282,09 en (b) de overige kosten van onderzoek en sanering van het onderhavige geval van ernstige verontreiniging, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding, althans met betrekking tot vordering (b) vanaf de dag van betekening van de schadestaat.

Bij incidenteel vonnis van 3 oktober 1995 heeft de Rechtbank de incidentele vordering van [verweerster] tot oproeping in vrijwaring van de provincie Noord-Holland en de [VvE van ..] "De Vogelhof" te [..] afgewezen.

[Verweerster] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 15 april 1997 de vordering van de Staat afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de Staat hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 12 november 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

De Staat heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat en Mr. D. Stoutjesdijk.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof in Den Haag en tot veroordeling van de niet verschenen verweerster in de kosten.

De advocaat van de Staat heeft bij brief van 12 september 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 25 januari 1988 heeft [verweerster] de olietank van de '[VvE van ..]' (hierna: Vogelhof) bijgevuld met 5.438 liter huisbrandolie.

(ii) Deze tank bevond zich ondergronds in het zand onder het bij het perceel behorende parkeerterrein.

(iii) Op 9 februari 1988 werd geconstateerd dat de tank leeg was. Op die datum heeft [verweerster] de tank gevuld met 9.800 liter olie.

(iv) Op 5 oktober 1988 heeft [verweerster] de tank bijgevuld met 5.518 liter olie, waarna er ca. 9.500 liter olie in de tank aanwezig was.

(v) Op 6 oktober 1988 heeft [verweerster] geconstateerd dat de tank leeg was.

(vi) Op 5 of 6 oktober 1988 is ca. 9.500 liter olie uit de tank in de bodem gestroomd.

(vii) Uit onderzoek is gebleken dat de bodem onder de olietank ernstig is verontreinigd.

3.2.1 De Staat vordert in deze procedure van [verweerster] op de voet van art. 75 leden 1 en 2 Wet bodembescherming vergoeding van de kosten van onderzoek en sanering van het onderhavige geval van ernstige bodemverontreiniging.

3.2.2 De Staat heeft in de eerste instantie aan deze vordering de stelling ten grondslag gelegd dat [verweerster] onrechtmatig jegens de Staat heeft gehandeld en als mede-veroorzaker van de bodemverontreiniging kan worden aangemerkt, omdat [verweerster] reeds op 9 februari 1988 een redelijk vermoeden had behoren te hebben dat de tank lek was of in slechte toestand verkeerde en zij vervolgens

a. heeft nagelaten Vogelhof te waarschuwen dat passende maatregelen geboden waren, en

b. op onverantwoorde wijze onderzoek heeft uitgevoerd.

De Rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij overwoog daartoe, zakelijk samengevat, het volgende. Ten aanzien van de bevinding dat de litigieuze tank, na op 25 januari 1988 te zijn bijgevuld, reeds op 9 februari 1988 leeg was, heeft [verweerster] de mogelijkheid van lekkage onder ogen gezien en die mogelijkheid ook besproken met Vogelhof, maar zij heeft daarnaast serieus rekening gehouden met andere oorzaken van het olieverlies: diefstal/verduistering en een bij de levering gemaakte administratieve fout. De Rechtbank achtte het aannemelijk dat lekkage van de tank destijds door [verweerster] en Vogelhof inderdaad niet als waarschijnlijke oorzaak van verlies van olie is aangemerkt. Naar het oordeel van de Rechtbank is echter voor [verweerster] en Vogelhof - ook na het summiere, deels zintuigelijke onderzoek naar eventuele lekkage en na onderzoek naar andere mogelijke oorzaken - niet buiten twijfel geweest dat de tank niet lekte. Dit volgt reeds uit de eigen stelling van [verweerster] dat de tank vervolgens om de drie weken werd gevuld met olie en regelmatig werd gepeild met - zo voegt de Rechtbank toe - de kennelijke bedoeling de tank te controleren op olieverlies. Met een zodanige proef op de som werd het risico voor lief genomen dat duizenden liters olie in de bodem zouden verdwijnen. In zoverre is juist dat een dergelijke methode van onderzoek onverantwoord is. De bijzonderheid hier is echter dat zich na het vullen van de tank op 9 februari 1988 en na regelmatige hervullingen in de maanden daarna geen olieverlies voordeed. Het risico dat voor lief werd genomen heeft zich toen dus niet verwezenlijkt. In oktober 1988 behoefde [verweerster] geen rekening meer te houden met de mogelijkheid dat de tank lekte.

3.2.3 In hoger beroep heeft de Staat blijkens de - in cassatie niet bestreden - vaststellingen van het Hof in zijn rov. 4.1 t/m 4.3 aan zijn vordering uitsluitend ten grondslag gelegd dat [verweerster] als olieleverancier van Vogelhof een onrechtmatige daad jegens de Staat heeft gepleegd doordat zij, toen op 9 februari 1988 geconstateerd werd dat de olietank leeg was, terwijl zij deze op 25 januari 1988 nog had bijgevuld, geen nader onderzoek heeft gedaan naar een eventueel lek of in het algemeen naar de kwaliteit van de tank. [Verweerster] had volgens de Staat een inwendige inspectie van de olietank dienen uit te voeren, althans een controle op dichtheid ervan moeten uitvoeren, in plaats van te volstaan met het regelmatig (laten) peilen van de oliestand. Door de tank in februari 1988 niet op dichtheid te controleren heeft [verweerster] een veiligheidsnorm geschonden. Deze norm geldt, aldus de Staat, bij een redelijk vermoeden dat een olietank lekt of in slechte staat verkeert.

3.2.4 Het Hof heeft geoordeeld dat gesteld noch gebleken is dat door [verweerster] een norm is overtreden als door de Staat bedoeld en dat derhalve de vordering van de Staat een deugdelijke grondslag mist. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Het Hof heeft daartoe, zakelijk samengevat, het volgende overwogen.

(i) De door de Staat overgelegde "Richtlijn Ondergrondse opslag vloeibare aardolieproducten, supplement 1986" van de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen (hierna: de richtlijn), waarvan de status door de Staat overigens onvoldoende duidelijk is gemaakt, kan niet gelden als een geschreven veiligheidsnorm welke door [verweerster] in acht moest worden genomen. Deze richtlijn is immers niet bedoeld om leveranciers van olie te verplichten tot de door de Staat bedoelde inspectie.

(ii) De Wet bodembescherming kan evenmin als zodanig gelden, aangezien ook deze zich niet richt tot een leverancier van olie, doch tot de eigenaar en/of gebruiker van onder meer olietanks. Daar komt bij dat [verweerster] niet belast was met inspectie en/of periodiek onderhoud van de olietank, zodat ook indirect geen verplichtingen voor [verweerster] uit deze wet voortvloeiden.

(iii) Er bestond op 9 februari 1988 terzake geen ongeschreven veiligheidsnorm die zich specifiek tot een leverancier als [verweerster] richtte. De Staat heeft daartoe onvoldoende gesteld.

3.3 De Staat komt tegen het arrest op met een cassatiemiddel, bestaande uit drie onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen de hiervoor in 3.2.4 onder (i) weergegeven overwegingen van het Hof, onderdeel 2 tegen de onder (ii) weergegeven overwegingen en onderdeel 3 tegen de overwegingen, weergegeven onder (iii).

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de bestreden overwegingen een reactie inhouden op de stellingen van de Staat, weergegeven in rov. 4.1 t/m 4.3 van het arrest. Zij moeten derhalve in dit licht worden gelezen. De klachten van het middel missen feitelijke grondslag voorzover zij berusten op een ruimere lezing en kunnen in zoverre reeds om deze reden niet tot cassatie leiden. In het navolgende zal de Hoge Raad zich beperken tot de overige klachten van het middel.

3.4 Onderdeel 1 betoogt dat, anders dan het Hof heeft aangenomen, de status van de richtlijn voldoende duidelijk is. De richtlijn behelst, aldus het onderdeel, voorschriften ten behoeve van op basis van art. 2a Hinderwet te treffen algemene maatregelen van bestuur. Naar de richtlijn wordt onder andere verwezen in bijlage I bij het op art. 2a Hinderwet gebaseerde Besluit woon- of kantoorgebouwen Hinderwet (Besluit van 28 september 1987, Stb. 1987, 473), welk besluit onder meer voorschriften geeft voor de opslag van olie in ondergrondse tanks. De richtlijn bevat veiligheidsnormen, onder meer inhoudend dat indien een redelijk vermoeden bestaat dat een tank of leiding lek is of in slechte toestand verkeert, deze terstond door of namens het KIWA op dichtheid moet worden onderzocht. Deze veiligheidsnormen kunnen volgens het onderdeel geacht worden mede te zijn geschreven voor een olieleverancier als [verweerster], op het hier aan de orde zijnde punt. Daaraan doet niet af dat de richtlijn (en het Besluit woon- of kantoorgebouwen Hinderwet) als zodanig niet is bedoeld om een leverancier van olie te verplichten tot de door de Staat bedoelde inspectie. Volgens de schriftelijke toelichting van de advocaten van de Staat kan daaraan evenmin afdoen de omstandigheid dat blijkens art. 5 de verplichting van art. 2 van het Besluit gedurende een jaar vanaf de inwerkingtreding van het Besluit (in januari 1988) niet van toepassing is op een reeds opgerichte inrichting ten behoeve van een woon- of kantoorgebouw.

Het onderdeel faalt reeds omdat, naar het Hof met juistheid heeft geoordeeld, de richtlijn geen norm inhoudt, die ertoe strekt om de leverancier van olie te verplichten tot het uitvoeren van een inwendige inspectie of controle op de dichtheid van een olietank die toebehoort aan en in gebruik is bij een ander.

3.5 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat de in art. 13 in verbinding met art. 6 (in 1988 art. 14, onderscheidenlijk 8) van de Wet bodembescherming vervatte verplichtingen mede gelden voor een leverancier van olie die een olietank vult, zoals in het onderhavige geval [verweerster], en dat daaraan niet kan afdoen dat [verweerster] niet belast was met inspectie en/of periodiek onderhoud van de onderhavige tank.

Het onderdeel faalt. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat uit de vermelde bepalingen geen (eigen) verplichting voortvloeit voor een leverancier van olie tot het uitvoeren van een inwendige inspectie of controle op de dichtheid van een olietank die toebehoort aan en in gebruik is bij een ander, indien hij bij het uitvoeren van een opdracht om de tank te vullen bemerkt dat deze wellicht niet meer deugdelijk is, alsmede dat zulks wellicht anders zou kunnen zijn indien hij belast is met inspectie en/of periodiek onderhoud van de olietank, doch dit geval zich in casu - naar in cassatie niet is bestreden - niet voordoet.

3.6 Onderdeel 3 faalt eveneens, aangezien het erdoor bestreden oordeel van het Hof, hiervoor in 3.2.4 onder (iii) weergegeven, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, mede in het licht van hetgeen het Hof heeft overwogen ten aanzien van de richtlijn en de Wet bodembescherming, niet onvoldoende is gemotiveerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 1 december 2000.