Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8722

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/057HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/12
JOL 2000, 607

Uitspraak

1 december 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/057HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

FUGRO ENGINEERS B.V., gevestigd te Leidschendam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 29 januari 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: Fugro - gedagvaard voor de Kantonrechter te 's-Gravenhage en gevorderd:

- Fugro te bevelen om [eiser] in staat te stellen de tussen partijen overeengekomen

werkzaamheden tegen een bruto maandsalaris ad ƒ 5.891,-- zijnde het Dutch Base Salary van [eiser], vermeerderd met de geldende inflatietoeslag, subsidiair het salaris dat door Fugro in de overeenkomst wordt vermeld ad ƒ 5.118,-- bruto per maand, te verrichten, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 5.000,-- per dag;

- Fugro te veroordelen om met ingang van 1 september 1995 aan [eiser] met terugwerkende kracht een bruto maandsalaris ad ƒ 5.891,-- te voldoen, zijnde het Dutch Base Salary van [eiser] vermeerderd met de geldende inflatietoeslag, subsidiair in ieder geval het salaris te voldoen (ƒ 5.118,-- bruto per maand), hetwelk zij in haar overeenkomst aan [eiser] vermeldt, over welke hoogte van het salaris partijen nog in onderhandelingen zijn;

- te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten op 1 maart 1985 nog immer voortduurt;

- Fugro te veroordelen om met [eiser] op een redelijke en billijke wijze verder te onderhandelen omtrent de nadere faciliteiten en dergelijke van de overeenkomst tussen partijen;

- Fugro te veroordelen om [eiser] toe te laten tot een nader te bepalen vergadering van de Raad van Bestuur om zijn visie met betrekking tot de gebeurtenissen in Indonesië te geven en aldus duidelijkheid te scheppen ook met betrekking tot de positie van [eiser] zelf, opdat [eisers] naam volledig gezuiverd wordt binnen de organisatie van Fugro;

- Fugro te veroordelen tot voldoening van de verhoging ex art. 7A:1638q (oud) BW over de vervallen en nog te vervallen loonbetalingen tot aan de dag van de algehele voldoening;

- het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over het totaal aan [eiser] toekomende bedrag aan loon met verhoging vanaf het moment der dagvaarding tot aan die van de algehele voldoening.

Fugro heeft de vorderingen bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 11 juli 1996 Fugro veroordeeld, tegen behoorlijk bewijs van kwijting en behoorlijk gespecificeerd van bruto naar netto, een bruto maandsalaris ad ƒ 5.118,-- te betalen vanaf 1 september 1995 en tot 15 april 1996 en te vermeerderen met de wettelijke rente als aangegeven in dit vonnis. Voorts heeft de Kantonrechter het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage. Fugro heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij memorie van grieven en bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [eiser] zijn eis gewijzigd/vermeerderd en gevorderd:

primair:

- Fugro te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding naar billijkheid terzake de kennelijk onredelijke beëindiging op of omstreeks 24 augustus 1995 van (a) ƒ 180.000,-- (netto) terzake materiële schade en (b) ƒ 50.000,-- terzake immateriële schade;

subsidiair, voor zover het primair gevorderde niet toewijsbaar zou zijn:

- Fugro te veroordelen tot betaling terzake toerekenbaar tekortschieten en/of handelen niet zoals het een goed werkgever betaamt en/of handelen in strijd met redelijkheid en billijkheid, zulks in 1995 tot (a) ƒ 100.000,-- (materiële schade) en (b) ƒ 50.000,-- (immateriële schade), met veroordeling van Fugro tot vergoeding van schade die [eiser] geleden heeft, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- Fugro te veroordelen om over de periode van 1 september 1995 tot en met 15 april 1996 een bruto maandsalaris ad ƒ 6.250,--, subsidiair ad ƒ 5.891,--, te voldoen, zulks uiteraard onder aftrek van reeds betaalde bedragen terzake salaris over bedoelde periode;

primair en subsidiair:

- Fugro te veroordelen tot betaling aan [eiser] van S$ 26.904,-- althans de tegenwaarde daarvan in Nederlandse valuta terzake achterstallige bonus over de jaren 1993, 1994 en 1995;

- wettelijke vertragingsverhoging ad 25% over het hiervoor gevorderde bonusbedrag en het te laat betaalde salarisbedrag ad S$ 22.050,-- over de maanden april tot en met juni 1995.

Fugro heeft zich tegen deze eisvermeerdering verzet.

De Rechtbank heeft bij rolbeschikking van 3 maart 1998 het verzet afgewezen.

Bij vonnis van 14 oktober 1998 heeft de Rechtbank in het principaal en in het incidenteel appel het bestreden vonnis van de Kantonrechter vernietigd en opnieuw rechtdoende het gevorderde afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Fugro heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Fugro heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Fugro begroot op ƒ 327,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 1 december 2000.