Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8718

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C98/301HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8718
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RV 2014/105 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
JOL 2000, 603
NJ 2001, 46
RvdW 2000, 241
JWB 2000/224

Uitspraak

1 december 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/301HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres],gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: mr. W. Heemskerk,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiser,

advocaat: mr. J.K. Franx.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 18 september 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en een vordering ingesteld die na wijziging van eis inhield bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [verweerder] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen de somma van ƒ 50.298,29, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van de algehele voldoening;

b. subsidiair [verweerder] te veroordelen tot betaling van de vordering in hoofdsom, te weten een bedrag van ƒ 20.712,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim tot aan de dag van de algehele voldoening, beide te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten conform het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten;

c. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over ƒ 4.241,77 op grond als voornoemd onder 5 van de inleidende dagvaarding, een bedrag van ƒ 2.969,19.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 5 december 1996 [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 9 juni 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt zowel in het principale als in het incidentele beroep tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Uitgangspunten in cassatie

(i) In de periode van 30 mei 1988 tot 31 oktober 1988 heeft [het eenmansbedrijf] - in die tijd als eenmansbedrijf gedreven door [de eigenaar] - ter zake van door haar gedane leveringen tot een bedrag van ƒ 20.712,14 gefactureerd aan [verweerder]. [Verweerder] heeft de facturen ontvangen en onbetaald gelaten.

(ii) Met betrekking tot deze facturen zijn aan [verweerder] twee

brieven verzonden door het incassobureau AFI. De eerste brief dateert van 30 december 1992, de tweede van 16 juli 1993. Uitsluitend de tweede brief is aangetekend verzonden. [Verweerder] heeft gesteld dat hij de brief van 30 december 1992 destijds niet heeft ontvangen en dat hem pas naderhand - na de ontvangst van de brief van 16 juli 1993 - op eigen verzoek een kopie van deze brief is toegezonden.

(iii) De eerste brief luidt - voor zover thans van belang - als volgt:

"Inzake: [het eenmansbedrijf] te [vestigingsplaats]

(…)

Cliënt heeft mij verteld dat U voor een bedrag van ƒ 24.954,18 aan hoofdsom goederen van hem heeft gekocht en geleverd hebt gekregen.

Van de facturen gelieve U bijgaand kopieën aan te treffen.

Bij deze verzoek ik U en voorzover nodig sommeer ik U uiterlijk 14 januari a.s. ƒ 35.857,00 (inclusief rente en kosten) op een der bovenstaande rekeningnummers te storten bijgebreke waarvan ik mij vrij acht."

(iv) De tweede brief luidt - voor zover thans van be-lang - als volgt:

"Inzake [het eenmansbedrijf] te [vestigingsplaats]

(…)

Alhoewel ik op 30 december 1992 al heb geschreven dat cliënt nakoming wenst van de openstaande facturen, doe ik u thans andermaal kopieën van de onderhavige facturen toekomen.

V.w.b. de facturen 757 en 763 loopt thans een Kantongerechtsprocedure. Het onderhavige schrijven zal u ook per aangetekende post worden aangeboden."

(v) Namens [het eenmansbedrijf] is bij het handelsregister opgave gedaan dat de onderneming met ingang van 28 maart 1994 is voortgezet door [eiseres], een per die datum opgerichte besloten vennootschap met [de eigenaar] als enig aandeelhouder en bestuurder/directeur.

(vi) In de in hoger beroep in het geding gebrachte akte van inbreng van 28 maart 1994 is onder meer vermeld dat namens [eiseres] met [de eigenaar] is overeengekomen dat laatstgenoemde in de vennootschap zal inbrengen zijn gehele onderneming [het eenmansbedrijf], dat deze inbreng derhalve omvat alle activa van gemelde onderneming en dat [de eigenaar], thans overgaande tot de inbreng verklaart alle onder de inbreng begrepen activa te leveren aan de vennootschap en dat namens de vennootschap alle ten titel van inbreng aan de vennootschap geleverde activa worden aanvaard.

3.2 [Verweerder] heeft tegen de onder 1 vermelde vordering van [eiseres] onder meer als verweer aangevoerd a) dat de vordering van [eiseres] is verjaard, nu de verjaringstermijn van vijf jaren is verstreken zonder dat deze op de door de wet voorgeschreven wijze is gestuit en b) dat [eiseres] niet in haar vordering kan worden ontvangen, aangezien niet de besloten vennootschap [eiseres], maar [het eenmansbedrijf] als rechthebbende ter zake van die vordering moet worden aangemerkt.

[Eiseres] heeft daartegen aangevoerd dat de hiervóór in 3.1 onder (iii) en (iv) vermelde brieven kunnen worden aangemerkt als de verjaring stuitende mededelingen in de zin der wet en dat alle activa van de onderneming [het eenmansbedrijf], waaronder de onderhavige vorderingen op [verweerder], aan haar zijn overgedragen.

De Rechtbank heeft het onder b) aangevoerde verweer, door haar beschouwd als het meest verstrekkende, eerst behandeld en gegrond bevonden, daartoe overwegende - voor zover thans van belang - dat niet is gebleken dat een akte van cessie is opgemaakt en dat het derhalve ervoor moet worden gehouden dat levering van de onderhavige vordering niet heeft plaatsgehad. Zij heeft vervolgens [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

3.3 Het Hof heeft in rov. 5.1 vooropgesteld dat de grieven in hoofdzaak betrekking hebben op de opvatting van de Rechtbank dat [eiseres] niet als rechtsopvolgster onder bijzondere titel van [het eenmansbedrijf] kan worden aangemerkt en heeft zich vervolgens gezet aan het gezamenlijk behandelen van de grieven op dit punt. In de rov. 5.3 en 5.4 heeft het Hof enige beschouwingen gewijd aan de vraag of een rechtsgeldige akte van cessie is opgemaakt en geoordeeld dat aan de mededelingseis van art. 3:94 lid 1 BW is voldaan. In rov. 6 heeft het Hof overwogen dat het vervolgens een oordeel zal geven over de vraag of de vordering van [eiseres] voor toewijzing vatbaar is. In rov. 6.8 is het Hof tot de slotsom gekomen dat de hiervóór in 3.1 onder (iv) vermelde brief van 16 juli 1993 niet kan worden beschouwd als een ondubbelzinnige mededeling in de zin van art. 3:317 BW. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd met aanvulling van gronden.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 De onderdelen 2a en 2b falen op de gronden vermeld in de punten 9, 10 en 11, tweede alinea van de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense.

4.2 Het Hof heeft in rov. 6.8 geoordeeld dat de brief van 16 juli 1993 niet kan worden beschouwd als een ondubbelzinnige mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW. Ter motivering van dat oordeel heeft het Hof in rov. 6.7 overwogen:

"De inhoud van genoemde brief bevat - weliswaar met verwijzing naar de brief van 30 december 1992 - nauwelijks meer dan het "andermaal" aanbieden van de onbetaald gebleven facturen. Daarmee wordt niet ondubbelzinnig aan de debiteur kenbaar gemaakt, dat deze ook na het verstrijken van de verjaringstermijn er rekening mee moet houden dat de schuldeiser tot inning zal overgaan. Ook de verwijzing naar de brief van 30 december 1992 kan niet als een ondubbelzinnige stuitingshandeling van de verjaringstermijn worden opgevat, zodanig dat de debiteur er rekening mee moet houden dat ook nà het eindigen van die termijn de crediteur alsnog nakoming vordert."

Voor zover de onderdelen 3 en 4 erover klagen dat het Hof bij zijn oordeel ten onrechte niet de brief van 30 december 1992 heeft betrokken, falen zij nu de verwerping van de onderdelen 2a en 2b meebrengt dat die brief geen rol kan spelen bij de vraag of de verjaring van de vordering van [eiseres] is gestuit.

4.3 Bij de beoordeling van de overige in deze onderdelen vervatte klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Ingevolge art. 3:317 lid 1 BW kan de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis worden gestuit door een "schriftelijke aanmaning" of "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt." In zijn arrest van 14 februari 1997, nr. 16144, NJ 1997, 244, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de in art. 3:317 lid 1 gebruikte woorden "een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt" moeten worden begrepen in het licht van de strekking van de stuitingshandeling van deze aard welke blijkens Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, blz. 1408, slot tweede alinea, neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering kan verweren.

Bij de uitleg van de in de brief van 16 juli 1993 vervatte mededeling komt het erop aan of de schuldenaar daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs de betekenis heeft moeten toekennen dat de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden.

4.4 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het Hof met zijn in rov. 6.8 gegeven oordeel hetzij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij dit oordeel niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed. Indien het Hof tot zijn oordeel zou zijn gekomen door uitsluitend op de inhoud van de brief te letten en de overige omstandigheden van het geval buiten beschouwing te laten, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zou het Hof de omstandigheden van het geval wel in zijn beoordeling hebben betrokken, dan is zonder nadere motivering niet begrijpelijk op grond waarvan het tot zijn voormelde oordeel is gekomen, in aanmerking genomen dat in de brief van 16 juli 1993 met zoveel woorden melding is gemaakt van de wens tot nakoming "van de openstaande facturen", alsmede dat die brief volgens 's Hofs in cassatie niet bestreden vaststelling afkomstig is van een incassobureau. De hierop gerichte klachten van onderdeel 3a treffen derhalve doel. De overige klachten behoeven geen behandeling meer.

Na verwijzing zal - zo daaraan wordt toegekomen gelet op de gegrondbevinding van onderdeel 2 van het incidentele middel; zie hierna in 5.3 - aan de hand van hetgeen hiervóór in 4.3 is overwogen, moeten worden beoordeeld of de brief van 16 juli 1993 kan worden beschouwd als een ondubbelzinnige mededeling in de zin van art. 3:317 lid 1.

5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep

5.1 Nu blijkens het onder 4 overwogene het middel in het principale beroep doel treft, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld, zodat het daarin voorgestelde middel moet worden onderzocht.

5.2 Anders dan onderdeel 1 betoogt heeft het Hof niet het oordeel van de Rechtbank onderschreven dat geen rechtsgeldige akte van cessie is opgemaakt. Op de gronden vermeld in punt 7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense moet worden aangenomen dat het Hof in het midden heeft gelaten of een rechtsgeldige akte van cessie is opgemaakt. Het onderdeel dat derhalve uitgaat van een verkeerde lezing van 's Hofs arrest, kan mitsdien wegens gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

5.3 Het tweede - subsidiair voorgestelde - onderdeel klaagt dat het Hof geen rechtens juiste en begrijpelijke beslissing heeft gegeven naar aanleiding van de stellingen van [verweerder] bij pleidooi in hoger beroep dat de door [eiseres] ingeroepen "cessie" als levering niet geldig is, omdat niet is voldaan aan de eis dat de door [eiseres] gepretendeerde vorderingen op [verweerder] in voldoende mate in de akte van cessie zijn bepaald, nu de beide door het Hof in rov. 5.3 bedoelde akten van oprichting en inbreng niet zodanige gegevens bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen van [de eigenaar] ([het eenmansbedrijf]) het gaat.

Het onderdeel slaagt. Nu het Hof in het midden heeft gelaten of een rechtsgeldige akte van cessie is opgemaakt, heeft het Hof geen beslissing gegeven op de in het onderdeel weergegeven stellingen van [verweerder], die, indien juist, tot de slotsom zouden leiden dat geen rechtsgeldige akte van cessie zou zijn opgemaakt (zie HR 14 oktober 1994, nr. 15587, NJ 1995, 447).

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en het incidentele beroep:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 9 juni 1998;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch;

in het principale beroep voorts:

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op ƒ 1.200,65 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris;

in het incidentele beroep voorts:

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 150,-- aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R.

Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar

uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 1 december 2000.