Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8717

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-12-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R00/076HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8717
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 602
NJ 2001, 390
RvdW 2000, 240
FJR 2001, 17
JWB 2000/223

Uitspraak

1 december 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/076HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [De vader],

2. [De moeder],

beiden wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr K.T.B. Salomons.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 april 1998 ter griffie van de Rechtbank te Haarlem ingediend verzoekschrift hebben verzoekers tot cassatie - verder te noemen: de ouders - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht hun zoon [de zoon] (verder: de zoon), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, onder curatele te stellen en hen beiden tot curator te benoemen.

Na een tussenbeschikking van 17 november 1998 heeft de Rechtbank bij tussenbeschikking van 16 februari 1999 een deskundige benoemd en voor dat onderzoek een aantal vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 25 mei 1999 de zoon onder curatele gesteld en [de vader], hierna: de vader, tot curator benoemd.

Tegen deze laatste beschikking hebben de ouders voor wat betreft de benoeming van alleen de vader tot curator hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (de zaak met rekestnummer 593/99). Zij hebben verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarbij de zoon onder curatele is gesteld en deze beschikking te vernietigen voor zover daarbij uitsluitend de vader tot curator is benoemd en, opnieuw rechtdoende beide ouders gezamenlijk te benoemen tot curator(en). Ook de zoon is in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Primair heeft hij verzocht het inleidend verzoek van de ouders af te wijzen. Subsidiair heeft hij verzocht beide ouders te benoemen tot curator (de zaak met rekestnummer 615/99).

De Advocaat-Generaal bij het Hof, mr. R.H.J. de Vries, heeft geconcludeerd overeenkomstig het verzoek van de ouders.

Bij beschikkingen van 13 april 2000 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikkingen van het Hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof in de zaak met rekestnummer 593/99 hebben de ouders beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot vernietiging van deze laatste beschikking van het Gerechtshof en tot benoeming van beide ouders tot curator van de zoon.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Uit het huwelijk van de ouders is op [geboortedatum] 1980 de zoon geboren. Hij woont bij zijn ouders.

(ii) Bij de zoon is sprake van een geestelijke stoornis, waardoor hij al dan niet met tussenpozen niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. Hij lijdt aan de ziekte van Crouzon.

(iii) De ouders geven tezamen inhoud aan hun zorg en verantwoordelijkheid voor hun zoon. Zijn meerderjarigheid maakt daarbij geen verschil ten gevolge van de beperkingen waarmee hij kampt. Ieder van de ouders heeft zich daarbij specifieke, elkaar aanvullende taken aangetrokken.

(iv) De ouders hebben met een beroep op art. 8 EVRM de Rechtbank verzocht hen beiden tot curator te benoemen. Zij beschouwen de curatele als een soort voortzetting van het ouderlijk gezag en als een middel om de uitoefening van het gezinsleven vorm te kunnen blijven geven. Indien slechts één van beide ouders tot curator wordt benoemd, brengt dit volgens hen mee dat ten aanzien van de andere ouder een ongerechtvaardigde inbreuk op het gezinsleven wordt gemaakt.

(v) De Rechtbank heeft de zoon onder curatele gesteld en de vader tot curator benoemd. Uit de tekst van de wet en de desbetreffende wetsgeschiedenis valt af te leiden, aldus de Rechtbank, dat de mogelijkheid van het benoemen van meer dan één curator door de wetgever niet is beoogd. De Rechtbank is voorts van oordeel dat zulks niet een ontoelaatbare inbreuk vormt op het door art. 8 EVRM beschermde recht op een gezinsleven.

(vi) Ook het Hof heeft op de in zijn rov. 4.5 - 4.11 vermelde gronden in rov. 4.12 geoordeeld dat het verzoek van de ouders om hen beiden tot curator te benoemen, niet voor toewijzing in aanmerking komt, en heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

(vii) Het middel keert zich tegen het onder (vi) vermelde oordeel van het Hof en de gronden waarop dit oordeel berust.

3.2 De overwegingen die het Hof aan zijn hiervoor in 3.1 onder (vi) vermelde oordeel ten grondslag heeft gelegd, kunnen als volgt worden samengevat. Uit de regeling van art. 1:383 BW volgt dat de wetgever is uitgegaan van benoeming van één persoon tot curator en dat hij geen ruimte wilde bieden om meer dan één persoon tot curator te benoemen. Bovendien is niet voorzien in een regeling van de gevolgen van bevoegdheidsuitoefening door meer curatoren, terwijl regeling daarvan voor de hand ligt gelet op de complicaties die zich kunnen voordoen (rov. 4.6). In het onderhavige geval is sprake van gezinsleven als bedoeld in art. 8 lid 1 EVRM (rov. 4.8). Benoeming van één ouder tot curator maakt inbreuk op het gezinsleven van de ouders en de zoon (rov. 4.9). Deze inbreuk is echter gerechtvaardigd als bedoeld in lid 2 van art. 8 EVRM (rov. 4.10). Ook als dit niet het geval zou zijn, dan gaat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten hier keuzes te doen (rov. 4.11).

3.3 Het middel strekt ten betoge dat de in art. 1:383 BW besloten liggende regel dat slechts één curator benoemd kan worden in een geval als het onderhavige, een ontoelaatbare inmenging als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM oplevert in het door lid 1 van die bepaling beschermde gezinsleven van de ouders en de zoon. Voorts betoogt het middel dat het vinden van een oplossing voor de gevolgen van de ongeoorloofdheid van de onderhavige inmenging de rechtsvormende taak van de rechter niet te buiten gaat.

3.4 Met betrekking tot de situatie van de ouders en de zoon heeft het Hof - in cassatie onbestreden - als volgt geoordeeld in zijn rov. 4.8:

"De situatie waarop de ouders zich beroepen wordt erdoor gekenmerkt dat de ouders in gezinsverband blijven samenwonen met hun zoon en zich de zorg voor hun zoon in de directe zin van het woord blijven aantrekken in verband met zijn geestelijke beperkingen ondanks zijn meerderjarigheid. De relatie tussen de ouders en de zoon laat zich omschrijven als een voortgezette zorgrelatie. De ouders continueren zodoende op bijzondere wijze hun ouderlijke verantwoordelijkheid. Dat doen zij gezamenlijk, maar ook heeft elk van hen een specifieke betrokkenheid. Een dergelijk samenlevingsverband onderscheidt zich van de gebruikelijke situatie die intreedt als een kind meerderjarig wordt. Die specifieke situatie verdient de bescherming van art. 8 EVRM."

Op grond van dit één en ander is het Hof tot de juiste slotsom gekomen dat de onmogelijkheid om twee curatoren te benoemen in het onderhavige geval een inmenging in de zin van lid 2 van art. 8 EVRM vormt.

3.5.1 Vervolgens komt aan de orde de door het Hof bevestigend beantwoorde vraag of voor deze inmenging een rechtvaardiging als bedoeld in voormeld lid 2 kan worden gevonden. Deze vraag wordt door de Hoge Raad evenwel ontkennend beantwoord.

3.5.2 Op de gronden vermeld in de punten 2.3.1 - 2.3.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker moet worden aangenomen dat het - in het belang van de curandus - voorkomen van onenigheid tussen de curatoren het oogmerk van de wetgever is geweest bij de regeling dat slechts één curator kan worden benoemd.

3.5.3 Het onderhavige geval wordt daardoor gekenmerkt dat het meerderjarige kind wegens zijn geestelijke handicap de ouderlijke zorg nodig blijft houden en dat de ouders die zorg op dezelfde wijze als voorheen (willen) voortzetten. Voorts zijn bij het benoemen van beide ouders tot curator alleen de belangen van de ouders zelf en de zoon betrokken, terwijl tevens vaststaat dat zowel de ouders als de zoon wensen dat de ouders gezamenlijk tot curator worden benoemd.

3.5.4 Tegen de achtergrond van de rechtspraak van het EHRM waarin aan het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, neergelegd in art. 8 EVRM, ver strekkende betekenis is toegekend, en in aanmerking genomen het in 3.5.3 overwogene en de omstandigheid dat thans voorzien is in een wettelijke regeling van de continuering van het gezamenlijk ouderlijk gezag na echtscheiding (art. 1:251 lid 2 BW), de gezamenlijke voogdij (art. 1:282 BW) en de benoeming van twee of meer bewindvoerders bij de onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen (art. 1:437 BW), moet worden aangenomen dat in voormeld oogmerk van de wetgever in een geval als hiervoor in 3.5.3 omschreven niet meer een rechtvaardiging als bedoeld in lid 2 van art. 8 EVRM kan worden gevonden voor evenvermelde inmenging in het door lid 1 van die bepaling beschermde gezinsleven van de ouders en de zoon.

3.6 In het onderhavige geval kan voorts niet worden gezegd dat het vinden van een oplossing voor de gevolgen van de ongeoorloofdheid van evenvermelde inmenging de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. Immers, het ligt voor de hand om bij benoeming van beide ouders tot curator in een geval als het onderhavige de artikelen van Afdeling 6 van Titel 14 van Boek 1 BW die betrekking hebben op gezamenlijke voogdij, van overeenkomstige toepassing te achten. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 april 2000 in de zaak met rekestnummer 593/99;

vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 25 mei 1999, doch uitsluitend voor zover daarbij alleen [de vader] tot curator is benoemd en het meer of anders verzochte is afgewezen;

benoemt tot curator [de vader] en [de moeder] gezamenlijk, beiden wonende aan de [adres] [woonplaats];

bepaalt dat deze beschikking binnen tien dagen na de uitspraak van de Hoge Raad vanwege [de vader] en [de moeder] voornoemd zal worden bekend gemaakt in: de Nederlandse Staatscourant, Haarlems Dagblad en Het Parool.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 1 december 2000.