Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8606

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35884
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 10
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 10a
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 11
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 12
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 13
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 13a
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 14
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 14a
Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/678
BNB 2001/41
WFR 2000/1777
V-N 2000/54.24 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35884

29 november 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 23 december 1999 betreffende na te melden aan de stichting X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1993 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 26.587,--.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de naheffingsaanslag heeft verminderd tot een ten bedrage van ƒ 302,-- aan belasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende, die zich bezighoudt met de bedrijfsmatige verhuur van woningen, heeft blijkens een notariële akte van 10 maart 1995 van de gemeente S gekocht en in eigendom verkregen een te Z gelegen perceel bouwgrond (hierna: het perceel) ter grootte van 5.555 m2 voor een koopprijs van ƒ 590.000,--, exclusief ƒ 103.250,-- aan omzetbelasting. Volgens de hiervóór genoemde akte is het perceel bestemd voor de bouw van zestien huurwoningen in het kader van het woonzorgproject “A”, te realiseren door belanghebbende, en voor de bouw van tien koopwoningen eveneens in het kader van het woonzorgproject “A”, te realiseren door belanghebbende dan wel door een derde bij doorverkoop.

Blijkens een notariële akte van levering van eveneens 10 maart 1995 heeft belanghebbende aan B B.V. te T verkocht en in eigendom overgedragen een deel van het perceel (hierna: het deel van het perceel) ter grootte van 1.401 m2, voor een koopprijs van ƒ 299.000,--, exclusief ƒ 52.325,-- aan omzetbelasting. Het deel van het perceel is volgens deze akte bestemd voor de bouw van tien koopwoningen in het kader van het woonzorgproject “A”, te realiseren door B B.V. dan wel door een derde bij doorverkoop.

Het perceel is ten tijde van de leveringen ervan bouwrijp gemaakt, zodat op grond van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel a, aanhef en punt 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1995; hierna: de Wet) zowel ter zake van de levering van het perceel als ter zake van de levering van het deel van het perceel omzetbelasting is verschuldigd.

Belanghebbende heeft de door haar ter zake van de levering van het deel van het perceel verschuldigde omzetbelasting ad ƒ 52.325,-- niet voldaan en heeft evenmin de haar ter zake van de levering van het perceel in rekening gebrachte omzetbelasting ad ƒ 103.250,-- geheel of gedeeltelijk in aftrek gebracht.

De Inspecteur heeft genoemd bedrag van ƒ 52.325,-- nageheven onder aftrek van de aan het deel van het perceel toe te rekenen, aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting, die door hem met toepassing van artikel 11, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (hierna: de Beschikking) werd bepaald op een bedrag van ƒ 26.040,-- (1.401/5.555 x ƒ 103.250,--).

In juni 1998 heeft de gemeente S, te dezen vertegenwoordigd door haar burgemeester, samen met belanghebbende schriftelijk verklaard: dat zij op 15 november 1994 een overeenkomst van koop en verkoop hebben gesloten, waarbij de gemeente aan de koper heeft verkocht een perceel grond van ongeveer 5.555 m2 voor een prijs van ƒ 590.000,-- exclusief omzetbelasting; dat door de koper een deel van het perceel is doorverkocht aan B B.V. voor de prijs van ƒ 299.000,-- exclusief omzetbelasting; dat door de koper een ander deel van het perceel, waarvan de koopsom ƒ 291.000,-- exclusief omzetbelasting bedroeg, is aangewend voor het bouwen van huurwoningen; dat het gedeelte dat niet is bestemd voor woningbouw (vijver, hertenkamp e.d.) ’om niet’ is overgegaan naar de koper.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het in geding zijnde geschilpunt niet in de eerste plaats wordt beheerst door artikel 15, lid 6, van de Wet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, maar dat in dit specifieke geval daarentegen de vraag moet worden beantwoord welk deel van de ter zake van de levering van het perceel in rekening gebrachte koopprijs is toe te rekenen aan het deel van het perceel.

3.2.2. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende met al hetgeen zij naar voren heeft gebracht, aannemelijk heeft gemaakt, tegenover de betwisting door de Inspecteur, dat zij aan de gemeente S voor het deel van het perceel een bedrag van ƒ 299.000,--, exclusief omzetbelasting, heeft betaald.

3.3. Het middel betoogt dat, nu het perceel door belanghebbende gebezigd wordt voor zowel vrijgestelde prestaties als voor een belaste prestatie, namelijk de doorlevering van een deel van het perceel, artikel 15, lid 6, van de Wet, alsmede de in de artikelen 11 tot en met 14 van de Beschikking neergelegde nadere voorschriften van toepassing zijn.

Het middel kan niet tot cassatie leiden, aangezien ‘s Hofs hiervóór in 3.2.1 vermelde oordeel, dat de transactie tussen de gemeente en belanghebbende in wezen betrekking had op twee prestaties waarvoor verschillende vergoedingen zijn overeengekomen, niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Voorzover het oordeel zich voorts richt tegen ‘s Hofs waardering van de bewijsmiddelen faalt het eveneens, daar deze waardering is voorbehouden aan het Hof.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 29 november 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.E. de Moor, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van ƒ 630,--.