Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8600

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35522
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/671
BNB 2001/63 met annotatie van J. den Boer
WFR 2000/1774, 3
V-N 2001/3.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35522

29 november 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 15 juli 1999 betreffende de aan haar opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1993 een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 269.440,-- aan enkelvoudige belasting, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak door de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 255.114,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft in het tijdvak van naheffing als inhoudingsplichtige de zogenoemde faciliteit voor zeevarenden toegepast op het loon van enige werknemers over perioden waarin deze aanwezig waren bij de bouw van een schip om daarmee vertrouwd te raken en zich aldus voor te bereiden op de eerste vaart van dat schip. De op dat schip betrekking hebbende zeebrief is gedateerd 26 oktober 1993 en de oplevering en teboekstelling in het scheepsregister vonden plaats op 1 november 1993. De evenvermelde perioden van aanwezigheid, die voor de betrokken werknemers verschilden, lagen in de jaren 1992 en 1993, en waren vóór 1 november 1993 geëindigd. De Inspecteur, van oordeel dat ten aanzien van deze werknemers en deze perioden de faciliteit ten onrechte is toegepast, heeft te dier zake een correctie begrepen in de onderwerpelijke naheffingsaanslag.

3.2. Het Hof heeft deze correctie in stand gelaten en daartoe redengevend geoordeeld dat nu het desbetreffende schip eerst per 26 oktober 1993 is voorzien van een zeebrief en op 1 november 1993 is opgeleverd, het in de periode daaraan voorafgaande niet kan worden aangemerkt als zeeschip.

3.3. Het middel verwijt het Hof terecht dat het aldus een onjuist criterium heeft aangelegd. Ingevolge artikel 17, lid 7, van de Wet op de loonbelasting 1964, zoals dat destijds luidde, wordt voor de toepassing van de in dat artikel geregelde faciliteit voor zeevarenden onder zeeschip immers verstaan: een zeeschip in de zin van de Zeebrievenwet, en voor de toepassing van laatstvermelde wet is het voorzien zijn van een zeebrief noch het opgeleverd zijn beslissend bij de beantwoording van de vraag of een schip kan worden aangemerkt als een zeeschip.

3.4. Het middel kan desalniettemin niet tot cassatie leiden. In artikel 2 van de Zeebrievenwet worden - behoudens enkele hier niet van belang zijnde uitzonderingen - onder zeeschepen verstaan alle schepen, bedoeld in artikel 2, lid 1, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. In laatstvermelde bepaling worden onder zeeschepen verstaan schepen die voldoen aan de in deze bepaling omschreven vereisten. Ingevolge artikel 8:1, lid 1, BW worden in dit wetboek onder schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuig zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of hebben gedreven. Met het opnemen van het vereiste “en drijven of hebben gedreven” heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (Kamerstukken II 1975/1976, 14049, nr. 3 en 4, pagina 8) beoogd een schip in aanbouw buiten het begrip ‘schip’ te laten vallen.

Nu het te dezen gaat om een schip in aanbouw, en uit ‘s Hofs uitspraak of de stukken van het geding niet blijkt dat belanghebbende heeft gesteld dat dat schip in aanbouw reeds vóór 1 november 1993 heeft gedreven, kan dat in de perioden waarom het hier gaat niet worden aangemerkt als ‘schip’ als bedoeld in artikel 8:2, lid 1, BW, en dus evenmin als zeeschip als bedoeld in dat artikel en in de zin van de Zeebrievenwet. Daaruit volgt dat het Hof te dezen, wat er zij van de gebezigde redengeving, met juistheid de faciliteit voor zeevarenden niet van toepassing heeft geoordeeld.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 29 november 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.