Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8597

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35379
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2001, 21308
FED 2000/668
BNB 2001/62 met annotatie van J. van Soest
WFR 2000/1774
V-N 2000/54.20 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35379

29 november 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 7 mei 1999 betreffende de aan hem voor het jaar 1996 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de hem daarbij in rekening gebrachte heffingsrente.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 62.621,-- waarbij f 113,-- heffingsrente in rekening is gebracht. Na bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de aanslag en de beschikking inzake de heffingsrente gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Aan belanghebbende is van rijkswege ter zake van de verkrijging van een zogenoemde “premiekoop A”-woning een jaarlijkse bijdrage van f 3.600,-- toegekend op grond van de Beschikking geldelijke steun eigen woningen 1984, zoals die sedert 1 januari 1988 luidde (Stcrt. 1987, nr. 218; hierna: de Beschikking). Deze bijdrage is verstrekt onder de in artikel 10 van de Beschikking opgenomen voorwaarde dat in de akte tot overdracht in eigendom van de woning een antispeculatiebeding zou worden opgenomen, inhoudende dat onder bepaalde omstandigheden bij vervreemding van de woning binnen tien jaren na de datum van de aanvang der eerste bewoning aan de gemeente waarin de woning is gelegen, een bedrag zou moeten worden betaald. Belanghebbende heeft de woning in 1996 met winst verkocht. Uit hoofde van het antispeculatiebeding heeft hij f 20.846,-- aan de gemeente Q moeten betalen.

3.2. Belanghebbende heeft voor het Hof verdedigd dat bij de bepaling van zijn belastbare inkomen over 1996 die betaling van f 20.846,-- geheel althans voor de helft in mindering moet worden gebracht. Het Hof heeft dat standpunt verworpen.

3.3. Voorzover de middelen dat oordeel bestrijden, falen zij.

Blijkens de toelichting bij de Beschikking strekt het antispeculatiebeding ertoe “te voorkomen dat als gegadigden voor de premiekoopwoningen zich personen zullen aandienen die de woning slechts beschouwen als iets, waarmee zij op korte termijn winst kunnen maken”. Hieruit en uit de regeling van het antispeculatiebeding in artikel 10 van de Beschikking - die erop neerkomt dat de gemeente waarin de woning is gelegen, deelt in de waardestijging van de woning - moet worden afgeleid dat de betaling aan de gemeente uit hoofde van dit beding niet strekt tot terugbetaling van de - van rijkswege verstrekte - jaarlijkse bijdragen. De betaling aan de gemeente valt ook niet anderszins toe te rekenen aan het jegens het Rijk bestaan hebbende recht op een jaarlijkse bijdrage; de enkele omstandigheid dat aan de verstrekking van de jaarlijkse bijdrage opneming van het antispeculatiebeding in de akte tot overdracht in eigendom van de woning als voorwaarde is verbonden, is daarvoor onvoldoende. De betaling aan de gemeente kan mitsdien niet worden aangemerkt als een negatieve inkomst.

De betaling aan de gemeente is het gevolg van een handeling in de vermogenssfeer, namelijk de verkoop van de woning met winst, en is in feite, zoals het Hof ook heeft geoordeeld, een verplichte afdracht van een gedeelte van het bij die verkoop behaalde vermogensvoordeel. De voldoening aan die verplichting vormt niet een prestatie van belanghebbende waarvoor de (in eerdere jaren ontvangen) jaarlijkse bijdragen de tegenwaarde vormen, zodat belanghebbende zich tevergeefs beroept op artikel 25, lid 1, letter g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Nu de betaling niet rechtstreeks voortvloeit uit het enkele aanvaarden van het antispeculatiebeding, maar het gevolg is van een latere handeling van belanghebbende in de vermogenssfeer, kan zij niet worden gerekend tot de kosten gemaakt tot verwerving van de jaarlijkse bijdragen, terwijl niet valt in te zien hoe zij zou kunnen worden aangemerkt als te zijn gedaan tot inning of behoud daarvan. Evenmin is de betaling zakelijk aan het genieten (in eerdere jaren) van de jaarlijkse bijdragen verbonden, zodat zij ook niet kan worden gerekend tot de op die bijdragen drukkende lasten. Belanghebbendes beroep op artikel 35 van voormelde wet faalt derhalve evenzeer.

3.4. Ook voor het overige kunnen de middelen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 29 november 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.