Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8421

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35666
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/665
BNB 2001/34
WFR 2000/1772, 3
V-N 2000/53.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35666

22 november 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 augustus 1999 betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 22.082,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris van Financiën heeft een conclusie van dupliek ingediend.

Na het verstrijken van de cassatietermijn heeft belanghebbende nog een aantal geschriften ingediend. Op die stukken kan echter geen acht worden geslagen, nu de wet niet de mogelijkheid biedt zodanige stukken in te dienen.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar aan drie door zijn ouders verhuurde woningen schoonmaakwerkzaamheden verricht, waarvoor hij een bedrag van ƒ 2.100,-- heeft ontvangen, en voorts een aantal andere werkzaamheden, zoals het sauzen van muren, het verwijderen van afval en het verwijderen van kapotte tegels, asbestpijpen, houtrestanten en ander grof vuil, waarvoor hij een bedrag van ƒ 2.700,-- heeft ontvangen.

3.2. Het Hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat tussen de werkzaamheden en de evenvermelde ontvangsten een causaal verband bestaat, en heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat die ontvangsten in beginsel dienen te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid. De enkele omstandigheid dat tussen de werkzaamheden en de ontvangsten een causaal verband bestaat - en zij derhalve de vergoeding voor die werkzaamheden vormen - is evenwel onvoldoende om die ontvangsten aan te merken als inkomsten uit arbeid. Daarvoor is voorts nodig dat die werkzaamheden zijn verricht in het economische verkeer. In een geval als het onderhavige, waarin de belastingplichtige werkzaamheden ten behoeve van zijn ouders verricht, zijn de werkzaamheden slechts in het economische verkeer verricht als zij het kader van de in familieverband gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan. ’s Hofs gevolgtrekking berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre zijn de klachten gegrond. Tot cassatie kunnen zij evenwel niet leiden. De feiten laten immers geen andere conclusie toe dan dat de onderhavige werkzaamheden het kader van de in familieverband gebruikelijke wederzijdse hulp en bijstand te buiten gaan.

3.3. Nu de ontvangsten de vergoeding voor werkzaamheden vormen, kunnen zij niet tevens worden aangemerkt als een bijdrage in het levensonderhoud van belanghebbende. Voorzover de klachten van een andersluidende opvatting uitgaan, falen zij derhalve.

3.4. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is op 22 november 2000 vastgesteld door de raadsheer A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.