Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8368

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
R99/107
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 567
NJ 2001, 349 met annotatie van W.M. Kleijn
PW 2001, 21330
RvdW 2000, 228
JWB 2000/213
SJP 2000/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 november 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/107HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 13 januari 1997 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht echtscheiding uit te spreken tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - en - voor zover in cassatie nog van belang - de verdeling van de goederengemeenschap tussen partijen vast te stellen.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 1998 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld zoals in de beschikking omschreven.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw wat betreft de door de Rechtbank vastgestelde verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij tussenbeschikking van 29 oktober 1998 heeft het Hof de meest gerede partij verzocht bescheiden in het geding te brengen. Bij eindbeschikking van 1 april 1999 heeft het Hof het verzoek van de vrouw tot nadere verdeling afgewezen.

Beide beschikkingen van het Hof zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide beschikkingen van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar beroep tegen de betreden tussenbeschikking en voorts tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking met verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) Partijen zijn op 23 september 1966 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. De man heeft bij verzoekschrift van 13 januari 1997 echtscheiding en verdeling van de gemeenschap gevorderd.

(ii) Op 29 november 1997 is [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Zij had bij testament van 6 mei 1997 de man, een ander en een stichting "gezamenlijk tot enig erfgenamen" benoemd onder de last van in het testament genoemde legaten, waaronder een legaat aan de vrouw (het nichtje van erflaatster) van de "familieportretten, de Ikoon (en) de bierpomp/schemerlamp". Met dit testament herriep en verving erflaatster een eerder testament waarin zij aan de vrouw haar gehele inboedel en alle onroerende zaken had gelegateerd en waarin de man in het geheel niet werd genoemd.

(iii) Na het overlijden van erflaatster (hangende de procedure van echtscheiding) is op 4 mei 1998 het huwelijk van partijen ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de beschikking van de Rechtbank waarin echtscheiding werd uitgesproken. Bij deze beschikking werd tevens de gemeenschap verdeeld. De Rechtbank heeft de nalatenschap van erflaatster niet in deze verdeling betrokken.

(iv) Tegen deze wijze van verdeling is de vrouw in hoger beroep gekomen, aanvoerende dat de nalatenschap in de verdeling moet worden betrokken nu de huwelijksgemeenschap bij het overlijden van erflaatster nog niet was ontbonden en het testament van erflaatster geen uitsluitingsclausule bevat als bedoeld in art. 1:94 BW.

(v) De man heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat het "duidelijk de bedoeling van [erflaatster] (was) dat de nalatenschap niet in de gemeenschap zou vallen waarin partijen waren gehuwd". In dat verband heeft hij erop gewezen dat hij in het testament tot erfgenaam is benoemd terwijl de vrouw juist in het herroepen testament één van de erven was. Tevens heeft hij overgelegd een brief van de notaris, die het testament heeft opgemaakt, inhoudende dat erflaatster aan hem heeft verklaard dat zij in de kwestie van de scheiding van de man en de vrouw (haar nichtje) aan de kant van de man stond en dat deze erfgenaam moest worden alsmede dat hij (de notaris) de uitsluitingsclausule in het testament zou hebben opgenomen, ware het niet dat erflaatster uitdrukkelijk had verklaard dat de echtscheiding al rond was. Aan de bedoeling van erflaatster kan in dezen niet worden getwijfeld, aldus de notaris.

(vi) Het Hof heeft bij tussenbeschikking van 29 oktober 1998 de meest gerede partij verzocht aan het Hof over te leggen het testament van erflaatster dat is herroepen bij het testament van 6 mei 1997. Nadat aan dit verzoek was voldaan, heeft het Hof bij eindbeschikking van 1 april 1999 de man in het gelijk gesteld en de vordering van de vrouw tot nadere verdeling afgewezen.

3.2 In rov. 2.6 van de eindbeschikking oordeelt het Hof dat de hiervoor weergegeven stelling van de man bevestiging vindt in de overgelegde kopie van het testament van 15 juni 1983, waarin de vrouw figureerde als legataris van de gehele inboedel en van alle onroerende zaken, terwijl in het eerdere testament de man in het geheel niet werd vermeld. In rov. 2.7 overweegt het Hof dat voor beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wil duidelijk zijn als verklaring van hetgeen de erflater wil dat na zijn dood met zijn vermogen zal geschieden, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij de beschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt. Vervolgens overweegt het Hof dat aannemelijk is "dat de vermelding van de naam van de man als erfgenaam, zonder de uitsluitingsclausule met betrekking tot diens gemeenschap van goederen, berust op een vergissing van de erflaatster, verband houdende met het feit, dat zij in de overtuiging verkeerde, dat de echtscheiding tussen partijen reeds geëffectueerd was" (rov. 2.8). Het Hof oordeelt daarop dat in een situatie als de onderhavige van de partij die zich op de tekst van het testament beroept, mag worden verwacht "dat deze van haar kant feiten en omstandigheden stelt die de omtrent de duidelijkheid van de termen der making gerezen twijfels kunnen ontkrachten, bij gebreke waarvan de rechter de termen der making nader dient uit te leggen, waarbij zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de veronderstelde wil van de erflaatster" (rov. 2.9). In rov. 2.10 komt het Hof tot de slotsom dat in dit geval die laatste wil aldus moet worden gelezen "dat erflaatster niet heeft gewild dat de making aan de man in de nog bestaande gemeenschap van goederen zou vallen, zodat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen."

3.3 Het middel dat uit 7 onderdelen bestaat, komt op tegen de rechtsoverwegingen 2.8-2.10 van de bestreden eindbeschikking. Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake art. 1:94 lid 1 BW door ondanks het in het testament ontbreken van de in dat artikel bedoelde uitsluitingsclausule te oordelen dat de laatste wil van erflaatster "aldus gelezen moet worden, dat erflaatster niet heeft gewild dat de making aan de man in de nog bestaande gemeenschap van goederen zou vallen". De onderdelen 3 tot en met 7 klagen dat het Hof, voorzover het zijn gewraakte oordeel heeft gebaseerd op de gedachte dat de uitleg van het testament dwingt tot de conclusie dat het testament een uitsluitingsclausule bevat, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 4:932 BW, althans dat dit oordeel van het Hof onbegrijpelijk is.

3.4 Bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking dient weliswaar te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, maar daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor de uitleg van een uiterste wilsbeschikking worden gebruikt indien deze zonder die verklaringen geen duidelijke zin heeft (vgl. art. 4.3.1.8 nieuw BW). Nu niet kan worden gezegd dat een uiterste wil waarbij een in gemeenschap van goederen gehuwde man tot erfgenaam is benoemd, terwijl in die uiterste wil geen uitsluitingsclausule als bedoeld in art. 1:94 BW is opgenomen, geen duidelijke zin heeft, en het Hof ook niet heeft vastgesteld dat de onderhavige uiterste wil zonder de tegenover de notaris afgelegde, maar niet in het testament opgenomen verklaring van de erflaatster een duidelijke zin ontbeert, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent art. 4:932 en 4:933 BW. Het middel is derhalve gegrond.

3.5 Het middel richt geen klachten tegen de tussenbeschikking van het Hof, zodat het beroep in cassatie in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [de vrouw] niet-ontvankelijk in haar beroep tegen de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 oktober 1998;

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 april 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter, en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 17 november 2000.