Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8358

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-11-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/103HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 575
NJ 2001, 215 met annotatie van A.R. Bloembergen
RvdW 2000, 235
VR 2001, 9
AV&S 2001, p. 26 met annotatie van S.D. Lindenbergh
JWB 2000/206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 november 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/103HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser] wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.C. van Oven,

t e g e n

B.C.E. BOUW B.V., gevestigd te Ede,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 8 september 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: Bouw - gedagvaard voor de Kantonrechter te Wageningen en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Bouw te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 300.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 1992, onder aftrek van de betaalde voorschotten ad ƒ 175.000,-- tot de dag der algehele voldoening alsmede een belastinggarantie voor de hoofdsom van ƒ 300.000,--.

Bouw heeft de vorderingen bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 20 november 1996 Bouw veroordeeld om ter zake van immateriële schade aan [eiser] te betalen ƒ 200.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 1992, te rekenen over de openstaande saldi na de betaalde, op genoemd bedrag in mindering te brengen voorschotten ad ƒ 175.000,-- tot de dag der algehele voldoening. Voorts heeft de Kantonrechter het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem. [eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij vonnis van 10 december 1998 heeft de Rechtbank, rechtdoende in hoger beroep, in het principaal en in het incidenteel hoger beroep het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Bouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

Aan [eiser], geboren in 1973, is op 13 januari 1992 tijdens zijn werk een ongeval overkomen, dat tot bijzonder ernstig, blijvend letsel heeft geleid. Bouw is aansprakelijk voor de door [eiser] als gevolg van dat ongeval geleden en nog te lijden schade. In de onderhavige procedure vordert [eiser] vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van ƒ 300.000,--. De Kantonrechter heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van ƒ 200.000,--. De Rechtbank heeft het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.2 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

Het gaat in deze procedure om de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij deze begroting dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden, in een geval als het onderhavige in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene.

De begroting van deze schade is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zij is sterk met de feiten verweven en kan in zoverre in cassatie niet op haar juistheid worden getoetst, terwijl de rechter daarbij ook niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs. Wel zal in cassatie kunnen worden getoetst of de rechter heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, of ter zake van de wijze van begroting.

De rechter dient bij zijn begroting tevens te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding. Geen rechtsregel belet de rechter mede acht te slaan op de ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen, zij het dat deze ontwikkelingen niet beslissend kunnen zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen.

3.3 [Eiser] heeft in hoger beroep aangevoerd dat het door de Kantonrechter toegekende smartengeld ontoereikend en inadequaat is, aangezien het hem slechts toestaat om aan extra activiteiten, ter veraangenaming van het leven, maximaal gemiddeld een bedrag van ca. ƒ 8.500,-- per jaar te besteden, terwijl alleen al de prijs van één extra tweeweekse winterse vakantie naar een warm land in een rolstoelgeschikte omgeving door [eiser] en twee betaalde begeleiders ruim meer dan ƒ 15.000,-- bedraagt. Hij deed in dat verband een beroep op het oordeel van de revalidatie-arts H.H.J. van As in een door [eiser] bij zijn memorie van grieven in het geding gebrachte brief, inhoudende dat het, aangezien [eiser] zich duidelijk beter voelt als het warm weer is, voor hem zeer aanbevelenswaardig zou zijn om, gezien zijn klachten, tijdens de wintermaanden vakantie(s) in een warm land door te brengen, waarbij het dan noodzakelijk is dat [eiser] in een rolstoelaangepaste omgeving verblijft en voorts begeleid wordt door twee personen die in staat moeten zijn om verzorgende en verpleegkundige handelingen te verrichten.

De Rechtbank heeft ten aanzien van deze stellingen overwogen:

“5. De toewijzing van smartengeld dient naar billijkheid te geschieden, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de aard en omvang van de schade. Hoe illustratief het door [eiser] gegeven voorbeeld van hoe hij het door de kantonrechter toegewezen bedrag (aan extra vakanties) kan besteden ook is, het laat dat uitgangspunt onverlet en noopt niet tot onderzoek naar wat [eiser] gedurende zijn verdere leven concreet extra kan doen ter veraangenaming van zijn leven en welk bedrag daarmee is gemoeid.”

De tegen deze overweging in de onderdelen 2 en 3 voorgedragen klachten zijn tevergeefs voorgesteld.

In het licht van hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, kan een betoog als hier aan de orde in het kader van de vaststelling van vergoeding van immateriële schade geen verdergaande betekenis hebben, dan dat het ertoe dient om de rechter door middel van een voorbeeld duidelijk te maken dat de aard en ernst van het letsel van de betrokkene mede van invloed zijn op de omvang van de kosten, verbonden aan maatregelen ter veraangenaming van diens leven. Het middel gaat terecht ervan uit dat dit laatste een omstandigheid is, die door de rechter dient te worden meegewogen. De aard van de onderhavige vergoeding brengt echter mee dat deze niet afhankelijk is van de voorgenomen wijze van besteding. De rechter is dan ook niet gehouden om in een onderzoek daarvan te treden en behoeft in de motivering van zijn beslissing niet aan te geven op welke wijze en met welk resultaat hij rekening heeft gehouden met een voorbeeld van mogelijke besteding, zoals door [eiser] aangevoerd.

De bestreden beslissing van de Rechtbank geeft dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.4 De Kantonrechter heeft in rov. 2 en 3 vaststellingen gegeven betreffende de aard en ernst van het door [eiser] opgelopen letsel en de gevolgen daarvan voor hem. De Rechtbank heeft in haar rov. 1 overwogen dat tegen de vaststellingen in (onder meer) deze rechtsoverwegingen geen grieven zijn gericht, zodat ook de Rechtbank van de daarin vastgestelde feiten zal uitgaan.

In de hiervoor in 3.3 reeds vermelde brief van de revalidatie-arts Van As worden ten aanzien van de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan nadere, meer recente gegevens verschaft. Bouw heeft tegen deze brief verschillende verweren aangevoerd en onder meer de juistheid van de inhoud ervan bestreden.

De Rechtbank heeft aan deze gegevens, met uitzondering van het hiervoor in 3.3 besproken punt, niet uitdrukkelijk aandacht besteed. Blijkens haar rov. 6 is zij ervan uitgegaan dat “hetgeen [eiser] is overkomen behoort tot de groep van meest ernstige gevallen van letsel waarin smartengeld wordt toegekend, passend in de hoogste categorie zoals gehanteerd in de uitgave Smartengeld van Verkeersrecht”. Blijkens de rov. 7 en 8 achtte de Rechtbank een vergoeding van ƒ 200.000,-- redelijk en billijk op grond van een vergelijking van enerzijds hetgeen aan smartengeld was toegekend in andere gevallen, behorend tot de in rov. 6 aangegeven categorie, en anderzijds datgene wat haar omtrent de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [eiser] was gebleken. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Nu de Rechtbank kennelijk van oordeel was dat de in de brief van de revalidatie-arts Van As vermelde gegevens niet tot een voor de bepaling van de toe te kennen vergoeding relevant ander oordeel over de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan konden leiden, was de Rechtbank niet gehouden om te onderzoeken in hoeverre ieder van die gegevens juist was.

Uit dit een en ander volgt dat de onderdelen 4 en 5 tevergeefs zijn voorgesteld.

3.5 Onderdeel 6 klaagt dat onbegrijpelijk is, dat de Rechtbank in rov. 6 haar hiervoor in 3.4 weergegeven oordeel (mede) heeft gebaseerd op haar vaststelling dat Bouw “steeds bereid (geweest)” is daarvan uit te gaan, zulks alhoewel Bouw volgens het onderdeel in eerste aanleg een ander standpunt heeft ingenomen.

Het onderdeel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, aangezien ook indien juist mocht zijn dat Bouw het bedoelde standpunt slechts in hoger beroep heeft ingenomen, de door de Rechtbank aan Bouws opstelling verbonden gevolgtrekking stand houdt.

3.6 Uit het in 3.4 overwogene volgt dat ook onderdeel 7 faalt.

3.7 Het falen van de onderdelen 2 - 7 brengt mee dat onderdeel 1, dat geen zelfstandige betekenis heeft, geen behandeling behoeft.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Bouw begroot op ƒ 3.157,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voozitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 17 november 2000.