Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8325

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2000
Datum publicatie
24-01-2003
Zaaknummer
35815
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet belastingwetten herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting XV
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2001/48 met annotatie van I.J.F.A. van Vijfeijken
FED 2000/638
FED 2001/374 met annotatie van Redactie
WFR 2000/1695, 2
V-N 2000/52.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35815

15 november 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 november 1999 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 641.045,--, waarvan een bedrag van f 600.000,-- belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) en met inachtneming van een belastingvrije som van f 7.003,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep gedeeltelijk gegrond heeft verklaard, de uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 194.236,--, waarvan f 153.191,-- belast naar het ter zake van winst uit aanmerkelijk belang geldende bijzondere tarief van 25%. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of de terugbetaling van kapitaal op 31 december 1996 door Dd B.V. aan belanghebbende ten bedrage van f 600.000,-- op de haar per 30 augustus 1996 ten laste van de agioreserve uitgereikte aandelen ingevolge het overgangsrecht zoals vastgesteld bij de herziening van het regime ter zake van de winst uit aanmerkelijk belang, al dan niet gedeeltelijk in het belastbare inkomen van belanghebbende over 1996 kan worden begrepen.

3.2. Het Hof heeft, voorzover in cassatie van belang, bij de beoordeling van het geschil met juistheid vooropgesteld dat de omvang van het gemiddeld gestorte kapitaal op de aandelen van de vennootschap die op het tijdstip van uitreiking van de bonusaandelen reeds bij de belastingplichtige in bezit waren, voor de toepassing van artikel XV, lid 2, laatste volzin, van de Wet van 13 december 1996 tot wijziging van enige belastingwetten, Stb. 652, dient te worden beoordeeld naar het moment waarop de desbetreffende aandelen zijn verkregen. Zulks brengt mee dat die beoordeling per pakket aandelen dient plaats te vinden. Het middel, dat uitgaat van een andersluidende opvatting, faalt derhalve.

4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie

Het Hof heeft de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 194.236,--, waarvan f 153.191,-- belast naar het ter zake van winst uit aanmerkelijk belang geldende bijzondere tarief van 25%.

Ingevolge het bepaalde in artikel 57a, lid 1, van de Wet (tekst volgens de hiervóór in 3.2 vermelde Wet van 13 december 1996) wordt de winst uit aanmerkelijk belang - voorzover hier van belang - tot ten hoogste het bedrag dat de belastbare som meer bedraagt dan f 45.325,-- niet belast op de voet van de tarieftabel.

Dit brengt mee dat het Hof van het belastbare inkomen had moeten belasten naar het tarief van artikel 57a van de Wet: f 194.236,-- verminderd met f 45.325,-- en met de belastingvrije som van f 7.003,-- ofwel f 141.908,--.

5. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten;

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 194.236,--, waarvan een bedrag van f 141.908,-- belast naar het tarief van artikel 57a van de Wet (tekst volgens de hiervóór in 3.2 vermelde Wet van 13 december 1996);

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 15 november 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en op die datum in het openbaar uitgesproken.