Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8323

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35706
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/636
FED 2001/17
BNB 2001/24
WFR 2000/1695
V-N 2000/52.12 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35706

15 november 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 september 1999 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 150.507,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie is nog slechts in geschil of de winst voorzover ontstaan door de vrijval van de passiefpost “lening o/g” voor het geheel aan belanghebbendes vader moet worden toegerekend.

Het Hof heeft geoordeeld dat deze winst terecht door de Inspecteur in het onderhavige jaar ten gunste van het resultaat van de vennootschap onder firma is gebracht en voor de helft aan belanghebbende is toegerekend.

Dit oordeel geeft geen inzicht in ’s Hofs gedachtegang.

Mocht het Hof dit oordeel hebben gegrond op de omstandigheid dat volgens de firma-akte de winst tussen de firmanten bij helfte wordt verdeeld, dan geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien firmanten bij de verdeling van de winst over enig jaar kunnen overeenkomen van de in de firmaovereenkomst opgenomen winstverdeling af te wijken.

Indien het Hof ten deze is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, dan is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd aangezien het in het midden heeft gelaten de juistheid van de door belanghebbende in zijn beroepschrift voor het Hof opgenomen stelling dat bij het samenstellen van de jaarrekening over 1993 in onderling overleg is besloten de vrijval geheel aan belanghebbendes vader te doen toekomen en dat dit een zakelijk handelen impliceert.

De middelen zijn dus gegrond. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de juistheid van belanghebbendes hiervóór bedoelde stelling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 15 november 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en op die datum in het openbaar uitgesproken.