Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8301

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01203/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8301
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 581
NJ 2001, 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 november 2000

Strafkamer

nr. 01203/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, van 29 december 1998, parketnummer 21/000160-98, alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak

tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissements-rechtbank te Zwolle van 25 november 1997 - de verdachte ter zake van “aan haar schuld de dood van een ander te wijten zijn” en “aan haar schuld te wijten zijn, dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt; meermalen gepleegd” strafbaar verklaard doch bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv

zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Van deze is bij de Hoge Raad een geschrift

binnengekomen dat echter niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende middelen

van cassatie. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam,bij schriftuur

midde-len van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt

daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal

verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere

motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang

van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof het beroep op dwaling heeft verworpen op

gronden welke die verwerping niet kunnen dragen, waardoor de bewezenverklaring niet naar

behoren met redenen is omkleed.

4.2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om een verdachte ten laste van wie is bewezenverklaard dat zij, werkzaam als stagiaire in een apotheek, bij de bereiding van geneesmiddelen aan de hand van een recept een zodanige fout heeft gemaakt, dat aan haar schuld te wijten is geweest dat dientengevolge een persoon is overleden en twee anderen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De verdachte, die werkte onder toezicht van een

apothekersassistente, heeft, doordat zij een verkeerde pot had gepakt, als vulmiddel aan de

desbetreffende capsules niet cellulose doch methadon toegevoegd.

4.3. Het hof heeft onder het hoofd Overwegingen omtrent het bewijs” overwogen:

(i) dat van een ieder die werkzaamheden in een apotheek verricht een aanzienlijke mate van

oplettendheid mag worden gevergd, gelet op de risico’s die de uitoefening van die werkzaamheden voor de gezondheid kan meebrengen;

(ii) dat zulks ook geldt voor ieder die in het kader van een opleiding in een apotheek werkt,

en

(iii) dat het verschil in omvang tussen de potten cellulose en methadon - naar het Hof

heeft waargenomen - aanzienlijk is en dat de pot methadon tevens is voorzien van een rode

stip om te attenderen op het gevaarlijke karakter van de stof, en

(iv) dat de verdachte gelet op die omstandigheden beneden de vereiste mate van achtzaamheid en oplettendheid is gebleven.

4.4.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof heeft de verdachte

aldaar aangevoerd, dat toen zij het geïndiceerde gewicht (afgerond zeven gram) in twee tranches - eerst zes gram en daarna nog een gram - en vervolgens nog een gram aan

vulmiddel had toegevoegd, dit nog niet voldoende bleek te zijn, dat zij zich toen tot

de apothekersassistente heeft gewend met de mededeling dat acht gram cellulose nog niet

voldoende was en heeft gevraagd of zij de bereiding moest weggooien, maar dat die

assistente heeft gezegd dat dat niet nodig was en dat ze nog maar een gram van het vulmiddel

aan de capsules moest toevoegen, omdat zulke gewichtsverschillen wel vaker voorkwamen.

4.4.2. De raadsvrouwe heeft in verband daarmee aangevoerd dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald “in het vervolg van de vergissing” omdat de verdachte van de

apothekersassistente het “fiat” kreeg om met de bereiding door te gaan toen zij, de verdachte,

zelf iets vreemds constateerde, maar niet goed wist wat.

4.4.3. Het Hof heeft onder het hoofd “Overwegingen omtrent het bewijs” dienaangaande

nog overwogen:

“Het hof acht ook dit standpunt van de raadsvrouwe niet juist. Het fiat van de assistente

om door te gaan kan gelet op de voorafgaande onvoorzichtigheid van de kant van de stagiair

nimmer verschoonbare dwaling opleveren”.

4.5 ’s Hofs oordeel komt daarop neer dat ook al wordt uitgegaan van de verklaring van de

verdachte zoals hiervoor onder 4.4.1 is weergegeven - waarbij het Hof in het midden heeft gelaten of het door de apothekersassistente uitgeoefende toezicht aan alle daaraan te stellen eisen heeft voldaan - dit niet afdoet aan ’s Hofs hiervoor onder 4.3 weergegeven oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door de verkeerde pot te pakken en de inhoud daarvan te gebruiken, waardoor aan haar schuld te wijten is dat de in de bewezenverklaring genoemde gevolgen zijn ingetreden, omdat geen sprake was van dwaling die verschoonbaar was.

Dat oordeel geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in

aanmerking genomen de aard van de werkzaamheden van de verdachte en die van de gemaakte fout en de omstandigheid dat de verdachte, naar in cassatie moet worden aangenomen, niet de mogelijkheid heeft overwogen dat zij de inhoud van een verkeerde pot had gebruikt en zij ook volgens haar eigen verklaring tegenover de assistente heeft gesproken van cellulose.

4.6. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de be-streden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 14 november 2000.