Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8254

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-11-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/042HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 558
NJ 2000, 718
RvdW 2000, 225
VR 2001, 115
AV&S 2001, p. 50 met annotatie van T. Hartlief
JWB 2000/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 november 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/042HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

LEVOB GEZONDHEIDSZORGVERZEKERING N.V., gevestigd te Amersfoort,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.K. Franx.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Levob - heeft bij exploit van 12 december 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd:

1. te verklaren voor recht dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval dat op 12 december 1994 op de kruising van de Diependaalselaan en de Bosdrift te Hilversum heeft plaatsgevonden en dat [verweerster] mitsdien gehouden is de schade van Levob in verband met dat ongeval te voldoen;

2. [verweerster] te veroordelen om aan Levob te voldoen een bedrag van ƒ 107.868,45, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 12 december 1994, althans vanaf de dag van de dagvaarding, en voorts [verweerster] te veroordelen om aan Levob te voldoen een bedrag van ƒ 2.146,73, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van de dagvaarding;

3. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de door Levob geleden en nog te lijden schade in verband met voormeld verkeersongeval, welke schade bestaat uit de ziektekosten die Levob voor haar verzekerde voor haar rekening had te nemen, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 10 september 1997 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Levob hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij tussenarrest van 12 maart 1998 heeft het Hof [verweerster] bewijslevering opgedragen. Bij eindarrest van 8 oktober 1998 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende:

- voor recht verklaard dat [verweerster] voor 20% aansprakelijk is voor de gevolgen van het onderhavige verkeersongeval dat op 12 december 1994 te Hilversum heeft plaatsgevonden en dat [verweerster] mitsdien gehouden is 20% van de schade van Levob in verband met dat ongeval te voldoen;

- [verweerster] veroordeeld om aan Levob te voldoen een bedrag van ƒ 21.573,70 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 1994, alsmede een bedrag van ƒ 429,35 met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding in eerste aanleg;

- [verweerster] veroordeeld tot betaling aan Levob van 20% van de Levob geleden en nog te lijden schade in verband met voormeld verkeersongeval, welke schade bestaat uit de ziektekosten die Levob voor haar verzekerde voor haar rekening had te nemen, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het Hof heeft Levob beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Levob heeft bij brief van 29 juni 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

Op 12 december 1994 heeft te Hilversum op de kruising van de Diependaalseweg en de Bosdrift een aanrijding plaatsgevonden, waarbij [verweerster] als bestuurster van een auto en [betrokkene A] als bestuurder van een fiets betrokken waren. [Betrokkene A] is, komende van de Bosdrift, bij het oversteken van de Diependaalseweg aangereden door [verweerster]. Als gevolg van de aanrijding is [betrokkene A] gewond geraakt. [Betrokkene A] is voor het risico van ziektekosten verzekerd bij Levob die ter zake van de door haar ten behoeve van [betrokkene A] gedane betalingen in diens rechten is getreden. Levob heeft gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat [verweerster] aansprakelijk is voor de gevolgen van voormeld verkeersongeval en dat zij zal worden veroordeeld tot betaling van de reeds gemaakte en nog te maken kosten als hiervoor onder 1 is vermeld.

3.2 De Rechtbank heeft de vordering van Levob afgewezen. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat [verweerster] bij het bepalen van haar verkeersgedrag geen rekening behoefde te houden met de mogelijkheid dat [betrokkene A] vlak vóór haar auto alsnog zou oversteken en dat haar derhalve niet kan worden verweten dat zij de voorrangskruising is opgereden met onverminderde snelheid van 40 à 50 km per uur. Daaraan heeft de Rechtbank de conclusie verbonden dat [verweerster] ter zake van het ongeval rechtens geen enkel verwijt treft.

Het Hof heeft in zijn tussenarrest de beide tegen die oordelen gerichte grieven van Levob gegrond bevonden, omdat de Rechtbank naar 's Hofs oordeel

(i) niet zonder meer ervan had mogen uitgaan dat [verweerster] voorafgaand aan het ongeval met een snelheid van 40 à 50 km per uur heeft gereden.

(ii) niet op grond van de enkele stelling van [verweerster] dat [betrokkene A] niet de indruk wekte dat hij ging oversteken, had mogen aannemen dat [verweerster] met deze mogelijkheid geen rekening had behoeven te houden.

Nadat het Hof [verweerster] tot bewijslevering had toegelaten, is het Hof in zijn eindarrest tot de slotsom gekomen dat [verweerster] niet erin geslaagd is overmacht in de zin van art. 31 lid 1 (oud) WVW aannemelijk te maken. Vervolgens heeft het Hof, kort samengevat, overwogen dat [betrokkene A] een ernstige verkeersfout heeft gemaakt en dat ook [verweerster], door met een snelheid van meer dan 40 km per uur te rijden en haar snelheid bij het naderen van de kruising niet te verminderen, heeft bijgedragen aan het ongeval. Op grond hiervan heeft het Hof een verdeling als bedoeld in art. 6:101 BW toegepast en daarbij 80% van de schade toegerekend aan [betrokkene A] en 20% aan [verweerster]. Ten slotte heeft het Hof het beroep van Levob op de billijkheidscorrectie verworpen omdat Levob verzuimd heeft aan te geven op welke concrete omstandigheden zij daarbij het oog heeft gehad. Volgens het Hof heeft Levob miskend dat het niet gaat om het ontbreken van aan opzet grenzende roekeloosheid bij [betrokkene A], doch om "specifieke, individuele factoren die tot gevolg hebben dat de billijkheid in het concrete geval een andere verdeling eist dan de uitkomst van de verdeling op basis van de causaliteit".

3.3.1 Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - keert zich tegen de overwegingen van het Hof met betrekking tot de verdeling op basis van de causaliteit.

3.3.2 De subonderdelen 2.1-2.6 nemen tot uitgangspunt dat het Hof onvoldoende feiten heeft vastgesteld om tot voormelde verdeling te kunnen komen. In het bijzonder wordt als klacht aangevoerd dat de snelheid waarmee [verweerster] heeft gereden, niet is komen vast te staan, zodat er geen grond bestond om aan te nemen dat [verweerster] niet te hard heeft gereden. Daarmee zou, aldus deze subonderdelen, dan ook de grondslag ontvallen aan het oordeel van het Hof dat [betrokkene A] is gaan oversteken op een moment dat hij (de auto van) [verweerster] kon waarnemen.

3.3.3 Het Hof heeft in zijn tussenarrest aan [verweerster] opgedragen te bewijzen dat zij reed met een snelheid van circa 40 km per uur. Omdat zij in dat bewijs niet is geslaagd, heeft het Hof in rov. 3.9 van zijn eindarrest aangenomen dat [verweerster] harder reed dan 40 km per uur. Daarin en in zijn vaststelling dat zij haar snelheid bij het naderen van de kruising niet heeft verminderd ligt besloten 's Hofs oordeel dat [verweerster] met een te hoge snelheid de kruising is genaderd. Anderzijds was het Hof klaarblijkelijk met de Rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk was dat [verweerster] met een hogere snelheid dan 50 km per uur reed, welk oordeel niet onbegrijpelijk is, nu ten processe geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit zou kunnen volgen dat [verweerster] de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overtreden. Het Hof heeft voorts in rov. 3.8 ten gunste van [betrokkene A] rekening gehouden met de omstandigheid dat de Diependaalseweg vlak voor de kruising een bocht naar rechts maakt, doch daarin kennelijk geen belemmering gezien voor het (tijdig) kunnen waarnemen van de auto van [verweerster]. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk en kan voor het overige, als voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, in cassatie niet worden getoetst. De klachten van deze subonderdelen treffen daarom geen doel.

3.3.4 Subonderdeel 2.7 betoogt dat het Hof de in art. 6:101 neergelegde norm op onjuiste, althans te beperkte, wijze heeft "vertaald" door te miskennen, althans eraan voorbij te zien, dat het mede gaat, althans kan gaan, om andere factoren die tot de schade hebben bijgedragen en dat daartoe behoort of kan behoren "het verschil tussen de - zeer aanzienlijk - grotere massa/het gewicht/de snelheid (in het algemeen gesproken) van een automobiel tegenover de veel geringere massa/het gewicht/de snelheid van een fietser". Het subonderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag dat het Hof klaarblijkelijk in zijn overwegingen (4.4 en 4.5 van het tussenarrest) heeft betrokken dat het gaat om een aanrijding tussen een motorrijtuig en een fiets, en in rov. 3.4 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het gaat om de mate waarin de aan ieder van hen toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Voor zover het middel strekt ten betoge dat in de causaliteitsafweging steeds uitdrukkelijk moet worden betrokken dat een aanrijding met een motorrijtuig door zijn massa en snelheid ernstige en verstrekkende gevolgen heeft, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat een motorrijtuig in het verkeer voor andere verkeersdeelnemers een bijzonder gevaar oplevert dient aan de orde te komen als het gaat om de op de verdeling op basis van de causaliteit volgende afweging of de billijkheid een andere verdeling van de aansprakelijkheid eist.

3.4.1 Onderdeel 3 van het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof met betrekking tot de 'billijkheidscorrectie' als bedoeld in de laatste zin van art. 6:101 lid 1 BW.

3.4.2 Anders dan het onderdeel veronderstelt heeft het Hof niet uit het oog verloren dat de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten tot een andere verdeling van de schade dan op grond van causaliteit aanleiding kan geven. Het Hof heeft in zijn door subonderdeel 3.2 bestreden rov. 3.13 kennelijk slechts de stelling van Levob verworpen dat reeds het ontbreken van aan opzet grenzende roekeloosheid aan de zijde van [betrokkene A] aanleiding moet zijn tot een andere verdeling.

Het onderdeel kan ook overigens bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het Hof kennelijk de door Levob aangevoerde omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Levob in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op ƒ 792,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. De Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 10 november 2000.