Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8201

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-11-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01490/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8201
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 560
NJ 2001, 15
VR 2001, 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 november 2000

Strafkamer

nr. 01490/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te

Alkmaar van 26 mei 1999, parketnummer 14/200246-98, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Arrondissementsrechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een

vonnis van de Kantonrechter te Alkmaar van 4 december 1998 - de verdachte ter

zake van "overtreding van het bepaalde krachtens artikel 177 van de

Wegenverkeerswet 1994" (hetgeen de Hoge Raad leest als: “overtreding van art.

5.1.1, eerste lid onder c, in verbinding met art. 5.6.1, eerste lid onder b sub 1, van

het Voertuigreglement) schuldig verklaard zonder oplegging van straf en

onttrekking aan het verkeer uitgesproken als in het vonnis vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem,

advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De

schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden

uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de kwalificatie en de onttrekking aan

het verkeer met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam

teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en

afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten aanzien van wie - kort gezegd -

is bewezenverklaard dat hij als bestuurder van een bromfiets als bedoeld in artikel

1.1 onder m, van het Voertuigreglement op een voor het openbaar verkeer

openstaande weg heeft gereden terwijl die bromfiets niet behoorde tot een door de

Minister van Verkeer en Waterstaat goedgekeurd type of exemplaar. Blijkens de

gebezigde bewijsmiddelen gaat het hier om een zogenoemde motorstep.

3.2. De Rechtbank heeft voor het bewijs gebruik gemaakt van “een proces-verbaal

nummer PL 1010/97-026883 van 4 december 1997, opgemaakt in de wettelijke

vorm door de opsporingsambtenaren F. Lang en J.J. Ruiter”, onder meer voorzover

inhoudende als relaas van die verbalisanten:

“Bij het onderzoek hebben wij vastgesteld dat dit voertuig voldeed aan de definitie

bromfiets als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1.1 onder m van het

voertuigreglement 1994”.

3.3. Het middel klaagt dat de Rechtbank dusdoende de bewezenverklaring heeft

doen steunen op een ontoelaatbare, namelijk op een aan de rechter voorbehouden

conclusie van genoemde verbalisanten, zodat de bewezenverklaring ontoereikend

is gemotiveerd, doch tevergeefs.

3.4. Het desbetreffende, zich bij de stukken bevindende proces-verbaal vermeldt in

de aanhef “technisch onderzoek verkeer”, en houdt als functieomschrijving van de

genoemde verbalisanten in: “hoofdagent van politie, groep Technische

Ondersteuning, politie NHN” onderscheidenlijk: “brigadier van politie, groep

technische Ondersteuning, politie NHN”. De in het middel bedoelde verklaring van

die verbalisanten bevat niets wat niet kan gelden als hun eigen waarneming bij het

onderzoek met betrekking tot de aard van het in de tenlastelegging genoemde

voertuig.

3.5. De bewezenverklaring is, in aanmerking genomen dat terzake in feitelijke

aanleg geen verweer is gevoerd naar behoren gemotiveerd. Het middel kan

derhalve niet tot casatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte de maatregel

van onttrekking aan het verkeer heeft opgelegd dan wel het opleggen van die

maatregel onjuist en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.2. De Rechtbank heeft de oplegging van die maatregel als volgt gemotiveerd:

“Het bewezenverklaarde feit is met betrekking tot de motorstep begaan en het

ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het algemeen belang”.

4.3. Nu de Rechtbank heeft vastgesteld dat met de motorstep geen gebruik mocht

worden gemaakt van voor het openbaar verkeer openstaande wegen, terwijl de

Rechtbank kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, dat zodanig gebruik,

gelet op de aard van het voertuig, niettemin voor de hand ligt, geeft haar oordeel

dat het ongecontroleerd bezit van dat voorwerp in strijd is met het algemeen

belang, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin

onbegrijpelijk is. Dat oordeel, dat de oplegging van de maatregel zelfstandig

draagt, behoefde, ook in het licht van de door de verdachte aangevoerde

omstandigheid “dat het zijn bedoeling is de motorstep aan de muur te hangen”,

geen nadere motivering.

4.4. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen

grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren

te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de

raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier

H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 7 november 2000.