Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA8072

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-10-2000
Datum publicatie
18-10-2000
Zaaknummer
1289
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA8072
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2001, 96 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
RvdW 2000, 215
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1289

18 oktober 2000

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Stena Line Holland B.V., gevestigd te Rotterdam (Hoek van Holland),

eiseres tot cassatie,

voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: Mr. J.G. de Vries Robbé,

tegen

het Hoogheemraadschap van Delfland,

zetelende te Delft,

verweerder in cassatie,

voorwaardelijk incidenteel eiser,

advocaat: Mr. H.A. Groen.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. Het Hoogheemraadschap Delfland heeft bij exploit van 26 mei 1997 de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Spoorwegen (hierna: de NS) doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de versterking van een in de dagvaarding nader aangeduid gedeelte van de in de gemeente Rotterdam (deelgemeente Hoek van Holland) gelegen Delflandsedijk gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemenen nutte en ten name van het Hoogheemraadschap van de in dat exploit nader omschreven onroerende zaken, waarvan de NS is aangewezen als eigenaar, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.

1.2. Bij vonnis van 17 juli 1997 (welk vonnis bij vonnis van 4 september 1997 verbeterd is gelezen en op 8 september 1997 in de openbare registers is ingeschreven) heeft de Rechtbank eiseres tot cassatie (hierna: Stena Line) toegelaten als tussenkomende partij, de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor de NS en Stena Line bepaald op f 673.380,-- respectievelijk f 90.000,-- en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

1.3. Vervolgens heeft de Rechtbank bij vonnis van 9 juli 1998 de schadeloosstelling voor de NS vastgesteld en met betrekking tot de aan Stena Line toekomende schadeloosstelling een nader onderzoek door deskundigen bevolen.

1.4. Nadat de Rechtbank bij vonnis van 14 januari 1999 andermaal een onderzoek door deskundigen had bevolen, heeft zij bij vonnis van 28 oktober 1999 (onder verwijzing naar en overname van hetgeen is overwogen en beslist bij voormelde vonnissen) - voorzover in cassatie van belang - het bedrag van de door het Hoogheemraadschap aan Stena Line verschuldigde schadeloosstelling bepaald op f 265.065,30. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. Stena Line heeft het vonnis van 28 oktober 1999 bestreden met twee middelen van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. Het Hoogheemraadschap heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep van Stena Line en onder aanvoering van één middel voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3. Nadat Stena Line met betrekking tot het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep had geconcludeerd tot referte, hebben partijen hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun voornoemde advocaten, waarbij het Hoogheemraadschap zich “bij nader inzien” gaaf en onvoorwaardelijk heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad met betrekking tot het principaal cassatieberoep.

2.4. De Advocaat-Generaal Wattel heeft op 7 juni 2000 geconcludeerd tot vernietiging van het in cassatie bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te ‘s-Gravenhage.

3. Beoordeling van de middelen in het principale cassatieberoep

3.1. Het eerste middel betoogt dat de Rechtbank een aantal in het middel nader aangeduide beslissingen, gegeven in haar tussenvonnis van 9 juli 1998, in haar tussenvonnis van 14 januari 1999 ten onrechte heeft aangemerkt als haar bindende eindbeslissingen en op die grond is voorbijgegaan aan de door Stena Line tegen die beslissingen aangevoerde nieuwe en nadere argumenten, naar voren gebracht in haar bezwaarschrift tegen het eerste aanvullende rapport van deskundigen en in de verdere loop van de procedure, zulks ten onrechte aangezien het onteigenings(proces)recht de figuur van de bindende eindbeslissing in tussenuitspraken niet kent.

3.2. Het middel is gegrond. Ingevolge artikel 54t in verbinding met artikel 37, lid 2, van de Onteigeningswet is de onteigeningsrechter gehouden bij één en hetzelfde vonnis uitspraak te doen over de totale aan de onteigende partij en aan de derdenbelanghebbenden toekomende schadeloosstellingen. Daarbij past niet dat de rechter zou zijn gebonden aan vóór het eindvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen in tussenvonnissen in die zin dat hij daarvan in een later stadium van de procedure niet meer zou mogen afwijken.

3.3. Middel II behelst een drietal motiveringsklachten. De eerste klacht is gericht tegen de in het tussenvonnis van 9 juli 1998 vervatte en in het eindvonnis van 28 oktober 1999 gehandhaafde weergave door de Rechtbank van hetgeen door Stena Line met betrekking tot de haar toekomende schadeloosstelling naar voren is gebracht voorzover die weergave inhoudt: “Feitelijk had Stena Line slechts de keuze om minimaal circa 1,5 hectare (voorafgaand aan de pleidooien werd gesteld 3,5 hectare) van het bunkerterrein in erfpacht te verkrijgen (…)”. De klacht is tevens gericht tegen het op deze weergave gebaseerde oordeel dat Stena Line de keuze had circa 1,5 ha, en niet 3,5 ha, in erfpacht te verkrijgen.

3.4. Wat die klacht betreft, geldt het volgende. De daarin bestreden weergave van de stellingen van Stena Line is blijkens rechtsoverweging 4.1 van het tussenvonnis van 9 juli 1998 ontleend aan de in die rechtsoverweging vermelde van Stena Line afkomstige stukken en aan hetgeen ter zitting (van 29 mei 1998) naar voren is gebracht. Echter, zoals in de klacht terecht wordt aangevoerd, heeft Stena Line vóór 29 mei 1998, zoals in het tussenvonnis vermeld, gesteld dat zij slechts de keuze had ca 3,5 ha, en niet 1,5 ha, van het bunkerterrein in erfpacht te verkrijgen en is noch in vóór het tussenvonnis noch in nadien in het geding gebrachte stukken een aanknopingspunt te vinden voor de gedachte dat Stena Line daarover later een ander standpunt zou hebben ingenomen. De Hoge Raad heeft in de aan hem overgelegde dossiers van partijen geen stuk aangetroffen dat is opgemaakt naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 29 mei 1998, terwijl ook het vonnis van 9 juli 1998 niet inhoudt wat ter zitting van 29 mei 1998 naar voren is gekomen. De klacht van Stena Line over de weergave van haar standpunt is dan ook gegrond. Daaruit volgt dat ook het op het aldus weergegeven standpunt van Stena Line berustende oordeel dat Stena Line inderdaad de keuze had ca 1,5 ha, en niet 3,5 ha, in erfpacht te verkrijgen, terecht als onvoldoende gemotiveerd wordt bestreden.

3.5. De tweede klacht betreft het in het tussenvonnis van 9 juli 1998 vervatte en in het eindvonnis gehandhaafde oordeel van de Rechtbank dat aan Stena Line - ook los van de onteigening - de gelegenheid zou zijn geboden het bunkerterrein in gebruik te nemen in plaats van het (deels) onteigende terrein. De derde klacht is gericht tegen het eveneens in dat tussenvonnis vervatte en in het eindvonnis gehandhaafde oordeel van de Rechtbank dat Stena Line - ook los van de onteigening - de haar geboden gelegenheid het bunkerterrein in gebruik te nemen zou hebben aanvaard.

3.6. Ook de derde klacht is gegrond. Daarin wordt terecht aangevoerd dat de stukken van het geding voor het in die klacht bestreden oordeel geen aanknopingspunt bieden. Door de gegrondbevinding van de derde klacht mist Stena Line belang bij de tweede klacht, welke dan ook geen behandeling behoeft. Immers, de omstandigheid dat aan Stena Line ook los van de onteigening het gebruik van het bunkerterrein zou zijn aangeboden, brengt niet mee dat Stena Line ook los van de onteigening - als redelijk handelend ondernemer - op dat aanbod zou zijn ingegaan en (alleen) op dat laatste komt het aan.

3.7. De middelen zijn gegrond. Het vonnis van de Rechtbank kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Beoordeling van het middel in het incidentele cassatieberoep

Het beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het bestreden vonnis zou worden vernietigd op grond van middel I in het principale beroep. Nu deze voorwaarde is vervuld, dient het middel te worden behandeld. Evenals middel I in het principale beroep betoogt het middel dat de Rechtbank in haar tussenvonnis van 14 januari 1999 een aantal eerder gegeven beslissingen ten onrechte heeft aangemerkt als haar bindende eindbeslissingen; op grond daarvan is, aldus het middel de Rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan de door het Hoogheemraadschap tegen die beslissingen aangevoerde nieuwe en nadere argumenten. Uit het hiervoor in 3.2 overwogene volgt dat het middel gegrond is, weshalve het vonnis van de Rechtbank ook op het incidentele cassatieberoep moet worden vernietigd.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en het incidentele beroep:

- vernietigt het vonnis van de

Arrondissements rechtbank te Rotterdam van

28 oktober 1999;

- verwijst het geding naar het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing; en

- compenseert de kosten van het geding in cassatie in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2000.