Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7960

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01997/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7960
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 542
NJ 2001, 11 met annotatie van J. de Hullu
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 oktober 2000

Strafkamer

nr. 01997/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

23 juli 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven

beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1975,

wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting “Almere Binnen” te Almere.

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 december 1998, voorzover aan

‘s Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. primair “doodslag”, 2.

primair “poging tot doodslag” en 3. primair “diefstal” veroordeeld tot tien jaren

gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen in voege

als in het arrest vermeld.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.

Moszkowicz sr., advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie

voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het

beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de

verwerping door het Hof van het beroep op (putatief) noodweer en noodweerexces.

3.2. Het Hof heeft het beroep op noodweer als volgt verworpen:

“Verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer 2] het gevolg was van een

ongeluk: [slachtoffer 2] liep zelf in het mes. Nu dit kennelijk de beleving van

verdachte is geweest omtrent de gang van zaken, kan hij niet tevens de intentie

gehad hebben uit noodweer te handelen. De bij noodweer behorende psychische

gesteldheid is immers onverenigbaar met een ongeluk. Dat voormelde verklaring

van verdachte geen geloof verdient, doet aan het voorgaande niet af. Reeds op die

grond dient het beroep op noodweer te worden verworpen.

Maar ook overigens faalt het verweer. Na de eerste gewelddadige gedraging had

verdachte rekening kunnen en moeten houden met een reactie, mogelijk zelfs

één van dreigende of gewelddadige aard, van de zijde van het personeel in de

werkplaats of van eventuele andere omstanders. Door met het mes in zijn hand

voor de winkel te blijven staan met zijn gezicht in de richting van de toegangsdeur

van de werkplaats, heeft verdachte bevorderd dat de reactie van de monteurs uit

de werkplaats ook daadwerkelijk dreigend van aard zou worden. Aldus heeft

verdachte een zelfstandige en aanzienlijke bijdrage geleverd aan de toen ontstane

dreiging, terwijl voor de verdachte mogelijkheden bestonden om de dreiging te

keren. Dit spreekt te meer daar uit verdachtes verklaring, afgelegd in hoger

beroep, blijkt dat hij zich onmiddellijk na het steken van [slachtoffer 1] realiseerde

wat hij had gedaan. Hij had de situatie kunnen en behoren te deëscaleren door,

bijvoorbeeld, één of meer stappen achteruit te doen of het mes op de grond te

laten vallen, dan wel door iets te zeggen. Hij heeft dit alles echter nagelaten.

Tenslotte had hij de (dreiging met een) aanval kunnen ontwijken, bijvoorbeeld -

door in plaats van te steken - zich af te wenden of te bukken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden

aannemelijk geworden die het beroep op noodweer rechtvaardigen”.

Voorts heeft het Hof op blz. 4 onder het hoofd “de strafbaarheid van de verdachte”

geoordeeld: “Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het verweer op noodweer

is overwogen, behoeven de verweren ten aanzien van noodweerexces en putatief

noodweer geen bespreking”.

3.3. In de bestreden uitspraak heeft het Hof vastgesteld:

- dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] voor zijn fietsenwinkel in

Amsterdam met een mes, dat hij in zijn broek had zitten, heeft gestoken -

hetgeen letsel aan dunne en dikke darm heeft veroorzaakt - omdat de verdachte,

naar zijn zeggen geïrriteerd was geraakt door het gedrag van [slachtoffer 1];

- dat de verdachte, nadat hij [slachtoffer 1] had gestoken, voor de winkel bleef

staan met het mes in zijn had en met zijn gezicht in de richting van de

toegangsdeur van de werkplaats;

- dat drie personeelsleden van [slachtoffer 1], onder wie het latere slachtoffer

[slachtoffer 2], vanuit de werkplaats op de verdachte toestormden, waarbij

[slachtoffer 2] met een driepoot naar de verdachte een dreigend gebaar maakte en

dat de verdachte op het moment dat die personeelsleden hem wilden pakken

[slachtoffer 2] met het mes in de borst heeft gestoken, tengevolge van welke

steekwond [slachtoffer 2] is overleden.

3.4. In de overwegingen van het Hof die volgen op zinsnede “Ook overigens faalt

het verweer” ligt als zijn oordeel besloten dat van een noodweersituatie geen

sprake was - en dat de verdachte ook niet kon menen dat dat het geval was -

omdat hij door [slachtoffer 1] met een mes te steken en daarna voor de winkel te

blijven staan met het mes in zijn hand en met het gezicht naar de toegangsdeur

van de werkplaats, zich willens en wetens in een situatie heeft gebracht waarin de

dreigende reactie van [slachtoffer 2] te verwachten was.

Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin

onbegrijpelijk is.

Het draagt de verwerping van het beroep op noodweer en putatief noodweer

zelfstandig, zodat de middelen buiten bespreking moeten blijven voorzover zij zich

richten tegen hetgeen het Hof overigens ter verwerping van die verweren heeft

geoordeeld.

3.5. Uit het in cassatie te respecteren oordeel van het Hof dat van een

noodweerstituatie geen sprake was vloeit voort dat het beroep op noodweerexces

door het Hof terecht is verworpen.

3.6. De middelen zijn dus tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van het derde middel

Het middel klaagt dat het Hof het onder 2 bewezenverklaarde feit ten onrechte

heeft gekwalificeerd als “poging tot doodslag”. Het berust klaarblijkelijk op de

opvatting dat voor een veroordeling ter zake van poging tot misdrijf is vereist dat de

bewezenverklaring inhoudt dat het misdrijf niet is voltooid.

Die opvatting is, gelet op het bepaalde in art. 45 Sr, onjuist, zodat het middel

faalt.

5. Beoordeling van het vierde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen

nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in

het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen

grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren

te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de

raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie en A.M.J. van Buchem-

Spapens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31 oktober

2000.