Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7957

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01916/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7957
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 543
NJ 2001, 239 met annotatie van A.C. &apos, t Hart
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 oktober 2000

Strafkamer

nr. 01916/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het

Gerechtshof te Amsterdam van 8 februari 2000, parketnummer(s) 23/001417-99,

in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de

Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 maart 1999

- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij

schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest

gehecht en maakt daarvan deel uit. De raadsman van de verdachte, mr. M.

Veldman, advocaat te Amsterdam, heeft het cassatieberoep tegengesproken.

2.2. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat

de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen

naar een aangrenzend Hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw

wordt berecht en afgedaan.

3. De procesgang

3.1. In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of een in de praktijk

toegepaste en als “supersnelrecht” aangeduide procedure verenigbaar is met het

systeem van de wet. Het gaat hier om de situatie waarin de officier van justitie een

verdachte die in verzekering is gesteld, dagvaardt om te verschijnen ter

terechtzitting van de politierechter binnen een termijn van drie dagen en vijftien

uren, derhalve vóór het tijdstip waarop de verdachte op grond van art. 59a Sv voor

de rechter-commissaris moet worden geleid en waarbij vervolgens op die

terechtzitting op de vordering van de officier van justitie door de politierechter de

voorlopige hechtenis van de verdachte wordt bevolen.

Het gaat hier derhalve niet om de snelrechtprocedure van art. 375 Sv noch om de

procedure waarbij tijdens de bewaring van de verdachte ter terechtzitting de

(voortzetting van de) voorlopige hechtenis wordt gelast.

3.2. In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan:

(i) Op 9 maart 1999 om 12.28 uur is de verdachte op heterdaad aangehouden

wegens winkeldiefstal, waarna hij om 13.24 uur is voorgeleid aan de Hulpofficier

van Justitie en vervolgens inverzekering is gesteld.

(ii) De verdachte is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de

Politierechter in de Rechtbank Amsterdam van 12 maart 1999; de verdachte heeft

afstand gedaan van de dagvaardingstermijn van art. 370 Sv.

(iii) Bij vonnis van 12 maart 1999 heeft de Politierechter de verdachte ter zake van

diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. De

Politierechter heeft voorts de vordering van de Officier van Justitie tot

gevangenneming van de verdachte afgewezen en de - subsidiair gevorderde -

gevangenhouding bevolen.

(iv) Het Hof heeft bij de bestreden uitspraak van 8 februari 2000 dit vonnis van de

Politierechter vernietigd en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in

de vervolging. Het Hof overwoog daartoe zoals is weergegeven op blz. 2 tot en met

5 van de bestreden uitspraak.

4. Beoordeling van het middel

4.1. De eerste klacht van het middel houdt in dat het Hof aan het begrip “belang

van het onderzoek” als bedoeld in art. 57 Sv alsmede aan de art. 60 en 61 Sv een

onjuiste betekenis heeft toegekend.

4.2. Voor de beoordeling van deze klacht is het volgende wettelijke kader van

belang:

- Ingevolge art. 57, eerste lid, Sv kan de verdachte door de officier van justitie of

door de hulpofficier van justitie in het belang van het onderzoek in verzekering

worden gesteld. Art. 57, vijfde lid, Sv bepaalt dat de officier van justitie de

invrijheidstelling van de verdachte gelast zodra het belang van het onderzoek dit

toelaat.

- Art. 58, tweede lid, Sv houdt in dat het bevel tot inverzekeringstelling slechts

gedurende drie dagen van kracht is, met een eventuele eenmalige verlenging voor

ten hoogste drie dagen.

- Indien de officier van justitie een langere vrijheidsbeneming van de verdachte

noodzakelijk acht, dient hij van de rechter te vorderen dat deze een bevel tot

voorlopige hechtenis geeft. Volgens art. 133 Sv wordt onder voorlopige hechtenis

verstaan de vrijheidsbeneming ingevolge een bevel tot bewaring, gevangenneming

of gevangenhouding. Voor deze drie vormen van voorlopige hechtenis geldt

gelijkelijk dat voldaan moet zijn aan het bepaalde in de art. 67 en 67a Sv.

- De bevoegdheid om de bewaring te bevelen is toegekend aan de rechter-

commissaris (art. 63 Sv), terwijl de officier van justitie zich voor een bevel tot

gevangenhouding of gevangenneming tot de rechtbank moet wenden. Art. 65,

eerste lid, Sv houdt in dat de gevangenhouding slechts kan worden bevolen

wanneer de verdachte zich in bewaring bevindt. Voor de gevangenneming (die ook

ambtshalve kan worden bevolen) bepaalt art. 65, tweede lid, Sv dat deze kan

worden gelast “na de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting”.

- Art. 60 Sv bepaalt dat de officier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of

die zelf de verdachte heeft aangehouden, hem, ingeval hij diens bewaring nodig

oordeelt, onverwijld voor de rechter-commissaris doet geleiden.

4.3. Zoals hiervoor is overwogen dient voor een voortzetting van de

vrijheidsbeneming van een inverzekeringgestelde verdachte een beslissing van de

rechter te worden uitgelokt.

De inverzekeringstelling kan in het belang van het onderzoek worden bevolen.

Redelijke wetstoepassing brengt mee dat onder dat onderzoeksbelang niet alleen

moet worden begrepen het onderzoek naar het mogelijk gepleegde strafbare feit,

maar ook het onderzoek, zowel door de officier van justitie als door de rechter die

over een door de officier van justitie ingediende vordering tot voorlopige hechtenis

heeft te oordelen, naar de mogelijkheid en wenselijkheid een bevel tot voorlopige

hechtenis te vorderen dan wel te geven.

4.4. Het Hof is kennelijk ook van het voorgaande uitgegaan, maar heeft geoordeeld

dat genoemd belang in elk geval na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting

niet meer aanwezig kan worden geacht en dat de inverzekeringstelling vanaf dat

moment een wettelijke grondslag ontbeerde. Tot dat oordeel, waarin besloten ligt

dat uitsluitend de rechter-commissaris kan oordelen over het eerste bevel tot

voorlopige hechtenis in aansluiting op een toegepaste inverzekeringstelling, is het

Hof gekomen met een beroep op de art. 60 en 61, eerste lid, Sv. Dat oordeel is

echter onjuist.

4.5. Anders dan in art. 61, eerste lid, Sv is voorzien, is de verdachte in deze zaak

wel in verzekering gesteld. Art. 60 Sv, waarbij de wetgever kennelijk voor ogen

heeft gestaan de - thans in de praktijk niet of nauwelijks voorkomende - gevallen

dat de officier van justitie de verdachte zelf heeft aangehouden of dat de verdachte

na diens aanhouding ingevolge art. 53, derde lid, of art. 54, derde lid, Sv aan hem

is voorgeleid, schrijft slechts voor dat de officier van justitie, indien hij de bewaring

van de verdachte nodig oordeelt, deze onverwijld doet geleiden voor de rechter-

commissaris. Die bepaling sluit op zichzelf niet uit dat, indien het onderzoek ter

terechtzitting - met inachtneming van de rechten en belangen van de verdediging-

binnen de termijn van de inverzekeringstelling kan worden aangevangen, aldaar de

gevangenneming van de verdachte wordt gevorderd.

4.6. Ook art. 65 Sv verzet zich daartegen niet. Vooropgesteld dient te worden dat

in een geval als het onderhavige het bevel tot gevangenhouding van de verdachte

niet mogelijk is, omdat daarvoor ingevolge art. 65, eerste lid, Sv is vereist dat de

verdachte zich in bewaring bevindt. Het gaat derhalve om de vraag of ter

terechtzitting de gevangenneming van de inverzekeringgestelde verdachte kan

worden bevolen. Art. 65, tweede lid, Sv houdt in dat de rechtbank na de aanvang

van het onderzoek ter terechtzitting de gevangenneming van de verdachte kan

bevelen. De tekst van de wet houdt niets in waaruit kan volgen dat daarbij van

belang is of de verdachte zich al dan niet in vrijheid bevindt. Uit de

wetsgeschiedenis met betrekking tot art. 65 Sv valt op te maken dat de wetgever

ervan is uitgegaan dat wanneer vóór de terechtzitting voorlopige hechtenis

noodzakelijk is, de mogelijkheden van bewaring en gevangenhouding benut

moeten worden, terwijl na de aanvang van de terechtzitting de mogelijkheid van

gevangenneming bestaat (vgl. Kamerstukken II 1913/14, 286, nr. 3, blz. 61 en

Ontwerp tot vaststelling van een wetboek van strafvordering, der Koningin

aangeboden door de Staatscommissie voor de herziening van het Wetboek van

Strafvordering, ingesteld bij KB van 8 april 1910, no. 17, deel II, Toelichting, blz.

102). In de systematiek van de wet is gevangenneming derhalve mogelijk van de

verdachte die zich niet reeds in voorlopige hechtenis bevindt. Noch de tekst of het

systeem van de wet noch de wetsgeschiedenis verzet zich derhalve tegen de

gevangenneming van de inverzekeringgestelde verdachte. De zittingsrechter heeft

dan te onderzoeken of toepassing van de voorlopige hechtenis rechtens mogelijk

en in het gegeven geval aangewezen is. Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan

dus niet worden gezegd dat in een geval als het onderhavige na de aanvang van

het onderzoek ter terechtzitting geen sprake meer kan zijn van het belang van het

onderzoek in de zin van art. 57, eerste lid, Sv. De eerste klacht van het middel is

dus gegrond.

4.7. Het voorgaande brengt mee dat tevens onjuist is het oordeel van het Hof dat

de Officier van Justitie door de gevangenneming te vorderen inbreuk heeft gemaakt

op het beginsel “nemo debet bis vexari”, nu het immers bij die vordering tot

gevangenneming ging om de eerste vordering strekkende tot het toepassen van

voorlopige hechtenis. Hetzelfde geldt voor ’s Hofs oordelen dat de Officier van

Justitie haar bevoegdheid heeft gehanteerd voor een ander doel dan waarvoor die

bevoegdheid is gegeven en dat inbreuk is gemaakt op beginselen van een

behoorlijk procesrecht welke tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar

Ministerie in zijn strafvervolging dient te leiden. Voorzover het middel daarover

klaagt is het dus ook terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan

blijven en als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te

Amsterdam opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt behandeld

en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de

raadsheren A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de

Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31

oktober 2000.