Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7955

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00751/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7955
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 540
NJ 2000, 737
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 oktober 2000

Strafkamer

nr. 00751/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van

21 mei 1999 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arron-

dissementsrechtbank te Arnhem van 26 mei 1998 - de verdachte vrijgesproken van

het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake

van “mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” veroordeeld tot

een geldboete van tienduizend gulden, subsidiair éénhonderd dagen hechtenis.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede

lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak - is

ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur

middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en

maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat het beroep wordt

verworpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de

raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1.1. Bij inleidende dagvaarding is aan de verdachte subsidiair tenlastegelegd dat

“hij op of omstreeks 31 juli 1997 te Arnhem als bestuurder van een personenauto

opzettelijk mishandelend een persoon te weten [het slachtoffer], die op dat

moment op een fiets reed, met zijn personenauto heeft gesneden en/of rijdende

naast [het slachtoffer] tegen [het slachtoffer] is aangereden, tengevolge waarvan

deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken heupgewricht), althans enig

lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden”.

3.1.2. In eerste aanleg is die tenlastelegging gewijzigd in die zin dat na het woord

“gesneden” is toegevoegd: “waardoor [het slachtoffer] tegen de auto van verdachte

is gereden”.

3.1.3. Van die tenlastelegging heeft het Hof bewezenverklaard dat “hij op 31 juli

1997 te Arnhem als bestuurder van een personenauto opzettelijk mishandelend

een persoon te weten [het slachtoffer], die op dat moment op een fiets reed, met

zijn personenauto heeft gesneden, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk

letsel (een gebroken heupgewricht) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden”.

3.2. De Hoge Raad verstaat het middel aldus dat het primair klaagt dat het Hof de

grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. Het middel voert daartoe aan dat

het Hof, vrijsprekende van de omstandigheid dat tussen de auto van de verdachte

en [het slachtoffer] een aanrijding heeft plaatsgevonden, “niet meer tot een

bewezenverklaring kon komen”, althans dat hetgeen is bewezenverklaard “op

zichzelf geen mishandeling meer kan opleveren”.

3.3. Het Hof heeft op blz. 2 van het bestreden arrest onder het hoofd

“bewezenverklaring”, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het

volgende overwogen:

“Het hof acht bewezen dat verdachte [het slachtoffer] heeft gesneden, immers zo

dicht naast hem is gaan rijden dat deze - een ongewijzigde koers rijdend - de

normale doorgang is belet en dat de verdachte dusdoende welbewust de

aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [het slachtoffer] hierdoor ten val zou komen

en daardoor (mede gelet op de snelheid van [het slachtoffer] van circa 30

kilometer per uur) (…) lichamelijk letsel zou kunnen oplopen”.

3.4. Het Hof heeft de tenlastelegging dus, afgezien van de daarin opgenomen

strafverzwarende omstandigheid, kennelijk in die zin opgevat dat de verdachte [het

slachtoffer] opzettelijk letsel en/of pijn heeft toegebracht door als bestuurder van

een auto [het slachtoffer] op zijn fiets zodanig te snijden dat deze daardoor ten val

is gekomen. In dat verband heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat de steller

van de tenlastelegging met de daarin opgenomen (wijzen van) aanrijding tussen de

auto van de verdachte en [het slachtoffer] slechts heeft beoogd een mogelijke

nadere toedracht van die val aan te duiden.

In aanmerking genomen dat aan de term “opzettelijk mishandelend” mede

feitelijke betekenis toekomt, is die uitleg met de bewoordingen van de

tenlastelegging niet onverenigbaar, zodat zij in cassatie moet worden

geëerbiedigd.

3.5. Gelet op die in cassatie te respecteren uitleg van de tenlastelegging heeft het

Hof, door daarvan bewezen te verklaren hetgeen hiervoor onder 3.1.3 is

weergegeven en door het aldus bewezenverklaarde te kwalificeren als

“mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend” de grondslag van de

tenlastelegging niet verlaten.

3.6. De primaire klacht van het middel faalt dus. Voorzover het middel voorts nog

klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, berust het,

voortbouwend op de primaire klacht, kennelijk op de opvatting dat in een geval als

het onderhavige eerst dan sprake kan zijn van opzettelijke mishandeling indien

komt vast te staan dat de auto en de fiets(er) met elkaar in aanraking zijn

gekomen. Die opvatting is onjuist zodat het middel ook in zoverre geen doel treft.

3.7. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO,

geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van

rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen

grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn

oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het

beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de

raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst en B.C.

de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 31

oktober 2000.