Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7914

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-10-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/012HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 276
Wetboek van Koophandel 294
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 511
NJ 2001, 119 met annotatie van M.M. Mendel
RvdW 2000, 212
S&S 2001, 109
VR 2001, 184
JWB 2000/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 oktober 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/012HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

AMEV SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te Utrecht,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

1. [Verweerster 1],

2. [Verweerster 2], beide gevestigd te Dronten,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweersters in cassatie - tezamen verder te noemen: [verweerster] - hebben bij exploit van 7 april 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Amev - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Amev te veroordelen tot nakoming van alle verplichtingen die voortvloeien uit de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomsten, in het bijzonder Amev te veroordelen om aan [verweerster] te vergoeden alle schade, die zij heeft geleden, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van de brand van 17 augustus 1993, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadevoorval.

Amev heeft de vordering bestreden.

Na een tussenvonnis van 15 maart 1995 heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 30 augustus 1995 een deskundigenonderzoek bevolen, een deskundige benoemd, en een aantal vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij eindvonnis [verweerster] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot veroordeling van Amev tot schadevergoeding op te maken bij staat en [verweerster] haar vordering voor het overige ontzegd.

[Verweerster] heeft tegen de tussenvonnissen en het eindvonnis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Amev heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 24 juli 1997 heeft het Hof een nadere toelichting door de door de Rechtbank benoemde deskundige bevolen en daartoe een aantal vragen geformuleerd. Na aanvullend deskundigenbericht heeft het Hof bij tussenarrest van 24 september 1998 [verweerster] in de gelegenheid gesteld bij akte een schadespecificatie te verstrekken en iedere verdere beslissing aangehouden.

Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Amev heeft tegen beide arresten van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van Amev heeft bij op 23 juni 2000 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen brief op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.

[Verweerster] vervaardigt en verhandelt slaapkamermeubelen. Op 17 augustus 1993 heeft brand gewoed in een door [verweerster] gehuurd bedrijfspand. De brand is ontdekt door een buurman, kort nadat het personeel het bedrijfspand had verlaten.

[Verweerster] had bij Amev twee verzekeringen gesloten. Een bedrijfsschadeverzekering, ingangsdatum 10 juni 1992, en een verzekering van roerende zaken, ingangsdatum 26 februari 1992.

In een door wederzijdse experts opgemaakte akte van taxatie, gedateerd september 1993, is de schade aan de bedrijfsgoederen en -inventaris vastgesteld op ƒ 1.291.206,--.

Ten aanzien van de bedrijfsschade van [verweerster] is geen akte van taxatie overgelegd. De door [verweerster] ingeschakelde expert, Troostwijk Expertises B.V., taxeert deze schade tot en met 31 december 1993 op ƒ 689.075,--.

Op 17 en 18 augustus 1993 is door de afdeling technische recherche van de politie Flevoland een technisch sporen onderzoek verricht in verband met de brand. Een proces-verbaal van dit onderzoek van 12 oktober 1993 houdt de volgende conclusie in:

“Op het moment dat de brand werd ontdekt was er niemand in het perceel aanwezig. Het perceel was rondom afgesloten geweest. In het perceel werden twee brandhaarden aangetroffen. Een in de spuitcabine en een in de vuilcontainer. Of de brand eerst in de container heeft gewoed en vervolgens de vloeistof van de spuitcabine heeft doen ontbranden of dat de brand in de spuitcabine is ontstaan en vervolgens de afvalstoffen in de container heeft laten ontbranden kon niet met zekerheid worden vastgesteld.”

Amev heeft een expertisebureau opdracht gegeven een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de brand. De slotconclusie van de expert is onder meer dat het ontstaan van de brand vrijwel zeker het gevolg is van het al dan niet opzettelijk achterlaten of bijbrengen van vuur in of nabij de polyester vuilcontainer en/of nabij de spuitmachine. Volgens de expert moet ernstig rekening ermee worden gehouden dat een relatie bestaat tussen de laatst aanwezige persoon en het ontstaan van de brand. De expert komt voorts tot de conclusie dat in de onderneming van [verweerster] op verschillende punten niet werd voldaan aan de voorschriften van de hinderwetvergunning.

[Verweerster] heeft in dit geding, kort gezegd, gevorderd dat Amev zal worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [verweerster] als gevolg van de brand heeft geleden.

Amev heeft tot haar verweer aangevoerd, voor zover in cassatie van belang, dat zij ingevolge het bepaalde bij art. 294 K. niet tot vergoeding van de schade is gehouden.

De Rechtbank heeft geoordeeld, samengevat weergegeven: dat vaststaat dat het vuur in de vuilcontainer is ontstaan; dat geen anderen dan (de werknemers van) [verweerster] van deze vuilcontainer gebruik hebben gemaakt; dat in het bedrijf van [verweerster] geen rookverbod gold; dat op de dag van de brand kantineafval of kantoorafval in de container is gedaan en dat zich bij dit afval volle asbakken kunnen hebben bevonden; dat ondernemingen als de onderhavige brandgevaarlijk zijn; dat [verweerster] de brandveiligheidsvoorschriften van de hinderwetvergunningen overtrad. Op grond van dit een en ander heeft de Rechtbank geoordeeld dat [verweerster] merkelijke schuld in de zin van art. 294 valt te verwijten en de vordering van [verweerster] afgewezen.

Het Hof heeft, naar blijkt uit rov. 4.4 van zijn tussenarrest van 24 juli 1997, in het midden gelaten of [verweerster] in het algemeen bij haar bedrijfsvoering onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte ter voorkoming van brand (onder meer doordat zij brandveiligheidsvoorschriften in de hinderwetvergunningen overtrad) maar geoordeeld dat niet vaststaat dat de brand als gevolg van een dergelijke onzorgvuldigheid is ontstaan. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat ook overigens niet vaststaat dat slordig of onvoorzichtig gedrag de brand heeft veroorzaakt, hetgeen betekent dat de vordering van [verweerster] alsnog moet worden toegewezen, tenzij het verweer van Amev dat sprake is geweest van brandstichting doel treft. In zijn tussenarrest van 24 september 1998 heeft het Hof dit laatste verweer verworpen en het is tot de slotsom gekomen dat de vordering van [verweerster] in beginsel toewijsbaar is.

Hiertegen keert zich het middel

3.2.1 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden voorop gesteld.

(1) Waar in art. 294 K is bepaald dat de verzekeraar is ontslagen van zijn verplichting tot vergoeding van schade indien hij bewijst dat de brand door merkelijke schuld van de verzekerde is veroorzaakt, kan slechts dan merkelijke schuld aanwezig worden geacht indien de verzekeraar bewijst dat sprake is van een ernstige mate van schuld in de zin van de art. 276 en 294 K (HR 17 juni 1988, nr. 13240, NJ 1988, 966 en 3 februari 1989, nr 13406, NJ 1990, 477).

(2) Voorts rust op de verzekeraar de last te bewijzen dat de brand door de merkelijke schuld is veroorzaakt, dat wil zeggen dat causaal verband bestaat tussen het als merkelijke schuld te kwalificeren gedrag van de verzekerde en de brand.

(3) Art. 294 houdt voorts in dat het moet gaan om merkelijke schuld van de verzekerde zelf. De enkele omstandigheid dat een of meer werknemers van de verzekerde een ernstige mate van onvoorzichtigheid valt te verwijten, is derhalve niet voldoende om aan te nemen dat sprake is van merkelijke schuld van de verzekerde.

(4) Is weliswaar de brand zelf niet door merkelijke schuld van de verzekerde veroorzaakt, maar heeft de brand zich als gevolg van onzorgvuldig gedrag van de verzekerde kunnen uitbreiden, dan is art. 294 eveneens van toepassing indien deze onzorgvuldigheid van de verzekerde, in verband met de voorzienbaarheid van de brand, zo ernstig was dat zij als merkelijke schuld in de zin van art. 294 dient te worden gekwalificeerd.

3.2.2 Het Hof heeft, naar volgt uit hetgeen het heeft overwogen in rov. 4 van zijn tussenarrest van 24 juli 1997, in het midden gelaten of te dezen sprake is van merkelijke schuld. In cassatie moet daarom veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat te dezen sprake is van merkelijke schuld van [verweerster] zelf.

3.3.1 De onderdelen 2.1 en 2.2 - de onderdelen 1.1 - 1.5 bevatten een inleiding - zijn in het bijzonder gericht tegen rov. 4.4 van 's Hofs tussenarrest van 24 juli 1997. Zij strekken ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het aan Amev was om te bewijzen dat causaal verband bestond tussen de als merkelijke schuld aan te merken overtreding van de op grond de in de hinderwetvergunning gegeven brandveiligheidsvoorschriften en de brand en dat het aan [verweerster], als degene die deze voorschriften had overtreden, was om te bewijzen dat het evenement ook zou zijn ingetreden indien de brandveiligheidsvoorschriften wel zouden zijn nagekomen.

3.3.2 Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.2.1 onder (2) is overwogen heeft het Hof terecht tot uitgangspunt genomen dat het aan Amev, als verzekeraar, was om te bewijzen dat de brand door de als merkelijke schuld van [verweerster] aan te merken overtreding van de brandveiligheidsvoorschriften was veroorzaakt. Het middel berust, naar mede uit zijn toelichting blijkt, op de door de Hoge Raad in een reeks van arresten aanvaarde regel dat indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen deze gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van deze gedraging wordt aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat deze schade ook zonder deze gedraging zou zijn ontstaan. In deze zin HR 30 oktober 1953, NJ 1954, 261 en laatstelijk HR 16 juni 2000, nr. C98/300, RvdW 2000, 155.

De hier bedoelde regel kan in het onderhavige geval echter geen toepassing vinden. Niet gesteld is dat de gedragingen die Amev aan [verweerster] verwijt als onrechtmatig jegens Amev moeten worden aangemerkt dan wel dat deze gedragingen als een aan [verweerster] toerekenbare tekortkoming in de nakoming van enige verbintenis jegens Amev moet worden aangemerkt. Het Hof heeft zulks dan ook niet vastgesteld. De voorwaarde voor toepassing van de regel, te weten onrechtmatig gedrag van [verweerster] jegens Amev dan wel door [verweerster] jegens Amev gepleegde wanprestatie, is derhalve niet vervuld. De onderdelen falen derhalve.

3.4 In onderdeel 2.3 wordt betoogd dat het Hof niet heeft onderzocht of aan schending van de hiervoor bedoelde veiligheidsvoorschriften in dit geval niet het gevolg moet worden verbonden dat het aan [verweerster] is te bewijzen dat de brand ook mèt het in acht nemen van de brandveiligheidsvoorschriften zou zijn ontstaan.

Het Hof is klaarblijkelijk ervan uitgegaan dat geen grond ervoor was aan te nemen dat zó waarschijnlijk was dat de brand door de aan [verweerster] verweten merkelijke schuld was veroorzaakt dat op haar de bewijslast rustte het tegendeel te bewijzen. Dit oordeel geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het onderdeel faalt derhalve.

3.5 Onderdeel 2.4 faalt op de gronden vermeld onder 3.3.1 en 3.3.2. Onderdeel 2.5 faalt op de gronden vermeld onder 3.4.

3.6 De onderdelen 3.1 - 3.4 gaan uit van hetgeen hiervoor in 3.2.1 onder (4) is voorop gesteld. De in deze onderdelen vervatte klachten voeren aan, samengevat weergegeven, dat het Hof niet heeft gerespondeerd op de stelling van Amev dat de brand zich als gevolg van als merkelijke schuld van [verweerster] aan te merken onzorgvuldigheid, heeft kunnen uitbreiden.

In de van haar afkomstige stukken heeft Amev bij herhaling gesteld dat het vuur tot de vuilcontainer zou zijn beperkt indien gebruik was gemaakt van metalen afvalbakken voorzien van zelfsluitende metalen deksels. Deze stelling kan niet anders worden begrepen dan als de stelling dat het niet gebruiken van zodanige vuilcontainers, maar van een kunststof container die niet van een zelfsluitende metalen deksel was voorzien, als merkelijke schuld in de hier bedoelde zin moet worden gekwalificeerd. Het Hof heeft noch in zijn arrest van 24 juli 1997, noch in zijn arrest van 24 september 1998, ervan blijk gegeven dat het deze stelling in zijn beoordeling heeft betrokken. Aldus heeft het Hof zijn beslissing wat deze stelling betreft niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De onderdelen zijn derhalve gegrond.

3.7 Onderdeel 4 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen afzonderlijke behandeling.

3.8 Gegrondbevinding van de in de onderdelen 3.1 - 3.4 vervatte klachten brengt mee dat 's Hofs tussenarresten van 24 juli 1997 en van 24 september 1998 niet in stand kunnen blijven. Verwijzing moet volgen. Na verwijzing zal, zo nodig, ook aan de orde kunnen komen of te dezen sprake is van merkelijke schuld van [verweerster].

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 juli 1997 en van 24 september 1998;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Amev begroot op ƒ 786,50. aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 27 oktober 2000.