Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7913

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-10-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/017HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 512
JWB 2000/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 oktober 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/017HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: voorheen mr. M.C. van Drempt,

thans mr. W.I. Wisman,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 2 augustus 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Terneuzen en gevorderd [verweerder] te veroordelen om - na vermeerdering van eis - te betalen een bedrag van ƒ 3.621,19, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 december 1994, althans vanaf de dag van de dagvaarding.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 13 maart 1996 [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten omtrent het voorgenomen deskundigenverslag en bij tussenvonnis van 5 juni 1996 [eiseres] tot bewijslevering toegelaten. Na een tussenvonnis van 25 september 1996 en na gehouden getuigenverhoren heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 19 maart 1997 een deskundigenbericht bevolen, een deskundige benoemd en een aantal vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 17 september 1997 de vordering afgewezen.

Tegen de vijf vermelde vonnissen heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Middelburg. Bij memorie van grieven heeft [eiseres] haar eis vermeerderd met een vordering tot ontbondenverklaring, althans tot ontbinding van de ten processe bedoelde koopovereenkomst.

Bij vonnis van 23 september 1998 heeft de Rechtbank [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de tussen partijen op 5 juni 1996 en 25 september 1996 door de Kantonrechter te Terneuzen gewezen vonnissen en diens vonnissen van 13 maart 1996, 19 maart 1997 en 17 september 1997 bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

[Eiseres] heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat mr. W.I. Wisman.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in dit geding, kort samengevat, om het volgende.

[Eiseres] heeft van [verweerder] een veulen, genaamd Moschino, gekocht op 2 april 1994. Dit veulen is, nadat het, door een dierenarts was onderzocht en gezond bevonden, op 25 september 1994 aan [eiseres] overgedragen. De koopprijs van ƒ 2.000,-- is aan [verweerder] betaald. Omstreeks 24 november 1994 bleek het veulen stijf te lopen. Vastgesteld is dat het leed aan osteochondritis dissecans (verder: OCD). Het veulen is eind april 1995 afgemaakt.

3.2 [Eiseres] heeft in dit geding terugbetaling van de koopprijs gevorderd, verminderd met de opbrengst van het dier. Voorts heeft zij vergoeding van de schade gevorderd die zij heeft geleden door het maken van noodzakelijke kosten. De hoofdsom van de door [eiseres] gevorderde schade beloopt ƒ 3.621,19. Deze vorderingen heeft [eiseres], kort weergegeven, erop gegrond dat het veulen niet beantwoordde aan de overeenkomst omdat het reeds ziek was voordat het aan [eiseres] werd overgedragen.

[Verweerder] heeft tot zijn verweer aangevoerd dat het veulen niet ziek was ten tijde van de koop en overdracht, althans dat hij daarvan niet op de hoogte was.

De Kantonrechter heeft bij zijn eindvonnis niet bewezen geacht dat het veulen op 25 september 1994 reeds leed aan OCD. Op deze grond heeft de Kantonrechter de vordering van [eiseres] afgewezen.

De Rechtbank heeft de tegen het vonnis van de Kantonrechter aangevoerde grieven verworpen.

3.3 Het middel verwijt de Rechtbank, samengevat weergegeven, dat zij heeft geoordeeld dat [eiseres] niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat het veulen reeds op 25 september 1994 leed aan OCD, zonder dat de Rechtbank is ingegaan op het door [eiseres] in hoger beroep gedane bewijsaanbod.

De van [eiseres] afkomstige memorie van grieven in hoger beroep houdt onder 5.1 in:

"[Eiseres] biedt uitdrukkelijk bewijs aan van haar stellingen door alle middelen rechtens, in het bijzonder door getuigen. Meer in het bijzonder biedt zij (aanvullend) bewijs aan door als getuigen te doen horen de reeds in eerste aanleg genoemde [getuige 2] en [getuige 1] alsmede de veterinair adviseur van AMEV. In het bijzonder de verklaring van [getuige 2] is van groot belang, nu deze tegenover [eiseres] al in 1994 heeft verklaard dat Moschino reeds ten tijde van de koopovereenkomst aan OCD leed."

De Rechtbank heeft niet ervan blijk gegeven dit bewijsaanbod in haar beoordeling te hebben betrokken. Aldus heeft de Rechtbank hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting hetzij haar oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Van een onjuiste rechtsopvatting heeft de Rechtbank blijk gegeven indien zij het bepaalde bij art. 192 lid 1 Rv. mocht hebben miskend. Mocht de Rechtbank deze bepaling niet uit het oog hebben verloren, maar geoordeeld hebben dat zij in het onderhavige geval het bewijsaanbod van [eiseres] mocht passeren, dan is dit oordeel zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet begrijpelijk.

Het middel is derhalve gegrond.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Middelburg van 23 september 1998;

verwijst het geding naar die Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op ƒ 4.180,95 in totaal, waarvan ƒ 4.062,20 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 118,75 te voldoen aan [eiseres].

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen, als voorzitter, en de raads-

heren O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 27 oktober 2000.