Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7897

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2000
Datum publicatie
11-10-2000
Zaaknummer
1290
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7897
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2000, 697
RvdW 2000, 214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1290

11 oktober 2000

in de zaak van De Gemeente ‘s-Gravenhage, zetelende te ‘s-Gravenhage,

eiseres in cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Horst Model Engineering B.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Covas B.V., gevestigd te ‘s-Gravenhage,

3. [Verweerder 3], handelende onder de naam [bedrijf B], wonende te [woonplaats],

verweerders in cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. Bij beschikking van 19 maart 1999 heeft de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage (hierna: de Rechtbank) op verzoek van de Gemeente ’s-Gravenhage (hierna: de Gemeente) op de voet van artikel 54a van de Onteigeningswet met het oog op de voorgenomen onteigening van de hierna te noemen onroerende zaak drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

1.2. De Gemeente heeft bij exploit van 7 juni 1999 [betrokkene A] doen dagvaarden voor de Rechtbank en in het belang van de uitvoering van het stadsver-nieuwingsplan “[...] zesde herziening” gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten behoeve van de Gemeente van de onroerende zaak [c-straat 1]/[d-straat 1] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente ’s-Gra-venhage, sectie [...], nr. [...] (grondplan [...], grondplannummer [...]), waarvan de gemeente ’s-Gravenhage [...] inmiddels de eigendom had verworven van [betrokkene A] voornoemd, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.

1.3. Bij vonnis van 10 augustus 1999, ingeschreven in de openbare registers op 28 september 1999, heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken en, na te hebben overwogen dat de gemeente ’s-Gravenhage [...] en [verweerder 3] […] als derde-belanghebbenden werden toegelaten tot het geding, het bedrag van de aan de gemeente ‘s-Gravenhage [...] toekomende schadeloosstelling bepaald op f 1,--, het voorschot op de aan [verweerder 3] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op f 56.808,-- en een dag voor de nederlegging van het deskundigenrapport bepaald.

1.4. Bij het thans in cassatie bestreden vonnis van 10 november 1999 heeft de Rechtbank verstaan dat de gemeente ’s-Gravenhage [...] en [verweerder 3] zijn toegelaten tot het geding, de vordering van Horst Model Engineering B.V. (hierna: Horst B.V.) tot toelating als derde-belanghebbende afgewezen en Covas B.V. als derde-belanghebbende in het geding toegelaten. Voorts heeft de Rechtbank bij dat vonnis onder meer het bedrag van de schadeloosstelling voor Covas B.V. vastgesteld op f 15.000,--, het bedrag van de schadeloosstelling voor [verweerder 3] vastgesteld op f 75.720,--, beide vermeerderd met rente als in het vonnis omschreven, en de Gemeente veroordeeld in de kosten van zowel de incidenten als het geding in de hoofdzaak. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. De Gemeente heeft het vonnis van 10 november 1999 bestreden met een uit zes onderdelen bestaand middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. Horst B.V. heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en subsidiair tot verwerping daarvan. Covas B.V. en [verweerder 3] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. De gemeente heeft gerepliceerd.

2.4. De Advocaat-Generaal Wattel heeft op 31 mei 2000 geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover het betreft haar oordeel over de hoogte van de te betalen goodwill voor een nieuwe locatie en verwijzing van de zaak op dat punt naar het Gerechtshof.

3. Beoordeling van het beroep van Horst B.V. op de niet-ontvankelijkheid van de Gemeente in haar beroep in cassatie

3.1. De Gemeente heeft op 23 november 1999, derhalve tijdig, de in artikel 52 van de Onteigeningswet (hierna: de Wet) bedoelde verklaring omtrent het instellen van beroep in cassatie ter griffie van de Rechtbank afgelegd. In de aanduiding van de onteigeningsprocedure waarop die verklaring betrekking heeft, is Horst B.V. anders dan onder meer de overige verweerders in cassatie niet als procespartijen vermeld. De verklaring houdt in dat “eiseres zich voorziet in cassatie van het vonnis van deze rechtbank, kamer B, van 10 november 1999 in bovengenoemd geding gewezen”. Vervolgens heeft de Gemeente bij exploit van 5 januari 2000, derhalve eveneens tijdig, onder meer Horst B.V. in cassatie gedagvaard met een ontwikkeling van de gronden van cassatie. Bij dit exploit is ook aan Horst B.V. de hiervoor vermelde verklaring betekend.

3.2. Horst B.V. heeft aangevoerd dat, nu zij in de cassatieverklaring niet als procespartij is genoemd, deze verklaring niet tegen haar is gericht, zodat tegen haar geen cassatie is ingesteld. Dit standpunt moet worden verworpen, omdat uit de hiervoor aangehaalde verklaring niet kan worden afgeleid dat daarmee is bedoeld slechts ten aanzien van enige onderdelen van het vonnis en niet van het vonnis als geheel cassatieberoep in te stellen. Daarvoor is in dit geval te minder reden omdat de omstandigheid dat in die verklaring Horst B.V. niet als partij in de onteigeningsprocedure is vermeld, daardoor wordt verkaard dat de incidentele vordering van Horst B.V. om als derde-belanghebbende in het onteigeningsgeding te worden toegelaten door de Rechtbank nu juist was afgewezen. Er is dan ook geen grond voor de veronderstelling dat de Gemeente - in afwijking van de ter griffie afgelegde verklaring - de in het vonnis vervatte beslissingen ten aanzien van Horst B.V. niet in het cassatieberoep heeft willen betrekken. De Gemeente kan derhalve in het vervolgens tijdig en met ontwikkeling van gronden aan Horst B.V. betekende beroep in cassatie worden ontvangen.

4. Beoordeling van het middel

4.1. In het eerste subonderdeel van onderdeel I van het middel betoogt de Gemeente dat de Rechtbank in het incident waarin Horst B.V. in het ongelijk werd gesteld een kostenveroordeling ten laste van Horst B.V. niet, althans niet zonder nadere motivering, achterwege had mogen laten. Het subonderdeel faalt. De Rechtbank heeft kennelijk en in het licht van het debat tussen partijen niet onbegrijpelijk, in de incidentele conclusie tot en na tussenkomst van Horst B.V. en Covas B.V. gelezen dat de - door de Gemeente bestreden - incidentele vordering ertoe strekte hetzij Horst B.V., hetzij Covas B.V. als tussenkomende partij toe te laten. De Rechtbank heeft tegen deze achtergrond, nadat zij de keuze op Covas B.V. had laten vallen, zonder schending van enige rechtsregel de Gemeente als in het ongelijk gestelde partij kunnen veroordelen in de kosten van het incident en een afzonderlijke kostenveroordeling ten laste van Horst B.V. achterwege kunnen laten.

In het tweede subonderdeel van dit middelonderdeel betoogt de Gemeente dat de Rechtbank niet zonder nadere redengeving - die ontbreekt - de Gemeente had mogen veroordelen in de proceskosten in de hoofdzaak, waaronder begrepen de kosten van rechtsbijstand en deskundigen, voor zover deze kosten zijn terug te voeren op het door de Rechtbank verworpen standpunt van Horst B.V. dat zij was aan te merken als derde-belanghebbende en als zodanig aanspraak kon maken op schadeloosstelling. Deze klacht faalt op de in onderdeel 3.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal vermelde gronden.

4.2. In middelonderdeel II voert de Gemeente aan dat de Rechtbank met haar oordeel dat Covas B.V. als huurster - en aldus als derde-belanghebbende in de zin van artikel 3 van de Wet - dient te worden aangemerkt, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans dat de Rechtbank dit oordeel onvoldoende met redenen heeft omkleed. Dit middelonderdeel faalt eveneens. Het is geenszins onbegrijpelijk dat Rechtbank uit de stukken van het geding heeft afgeleid dat voor de Rechtbank tussen de Gemeente enerzijds en Horst B.V. en Covas B.V. anderzijds in geschil was wie als huurster en derhalve als derde-belanghebbende had te gelden. Het oordeel van de Rechtbank dat Covas B.V. als huurster dient te worden aangemerkt kan voorts als van feitelijke aard en voldoende gemotiveerd in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

4.3. Het in de onderdelen 25 en 26 van het vonnis neergelegde oordeel van de Rechtbank dat [verweerder 3] schade lijdt doordat hij ten gevolge van de verplaatsing van zijn onderneming de door hem gedane investeringen in goodwill en verbouwing van zijn snackbar niet ten volle kan uitbaten, is van feitelijke aard, voldoende gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk. Het hiertegen gerichte middelonderdeel III moet dan ook worden verworpen.

4.4.1. Onderdeel IV van het middel behelst de klacht dat de Rechtbank niet is ingegaan op de stelling van de Gemeente dat de door de deskundigen gemaakte schatting van door [verweerder 3] voor vervangende bedrijfsruimte te betalen goodwill te hoog is, omdat bij die schatting in onvoldoende mate rekening zou zijn gehouden met het per 1 januari 2001 te verwachten stringente beleid ten aanzien van vergunningen voor kansspelautomaten als gevolg van de wijziging van de Wet op de Kansspelen.

4.4.2. In hun definitieve rapport hebben de deskundigen zich in verband met de vraag of [verweerder 3]’s bedrijf levensvatbaar is op de bladzijden 12 en 13 uitgelaten over de gevolgen van de bedoelde wetswijziging voor de winstgevendheid van snackbars. Hun - in cassatie niet bestreden - conclusie is dat [verweerder 3]’s onderneming niettegenstaande de aan deze wijziging van wet en beleid ontleende stellingen van de Gemeente zodanig levensvatbaar is dat schadeloosstelling op basis van verplaatsing in de rede ligt. Op bladzijde 14 van dat rapport merken de deskundigen ten aanzien van de goodwill vervolgens op:

“Voor het vinden van de vervangende ruimte zal [verweerder 3], gelet op de geringe beschikbaarheid van aanvaardbare en voor dit doel geschikte ruimten, een zoekperiode van circa een jaar nodig hebben en bovendien, naar deskundigen veronderstellen een bedrag ineens aan de verhuurder moeten betalen onder titel van goodwill, sleutelgeld of iets dergelijks. Het is deskundigen bekend, dat in de markt voor snackbars en ruimten die geschikt zijn voor het exploiteren van een snackbar, dit soort vergoedingen worden bedongen en betaald. De aldus te betalen vergoeding schatten deskundigen op f. 15.000,--.”

4.4.3. De Rechtbank heeft in onderdeel 27 van het vonnis expliciet de hiervoor in 4.4.1 vermelde stelling van de Gemeente aangehaald. Zij heeft voorts in onderdeel 28 van het vonnis aannemelijk geoordeeld dat goodwill moet worden betaald en overigens ook het oordeel van de deskundigen ten aanzien van de goodwill tot het hare gemaakt (onderdeel 37 van het bestreden vonnis). Daarbij heeft zij nog opgemerkt dat niet is gebleken dat de deskundigen verkeerde uitgangspunten hebben gehanteerd of relevante factoren over het hoofd hebben gezien. In dit een en ander ligt besloten de verwerping van de meerbedoelde stelling van de Gemeente. De Rechtbank is kennelijk ervan uitgegaan dat onder de door de deskundigen bij de schatting van de goodwill in aanmerking genomen omstandigheden van de markt geacht moeten worden te zijn begrepen de gevolgen van de wijziging van de Wet op de Kansspelen. Zulks behoefde geen verdere motivering dan door de Rechtbank gegeven. Ook de in onderdeel IV van het middel vervatte klacht faalt.

4.5. De in de onderdelen V en VI van het middel opgenomen klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden, zulks op de gronden vermeld in de onderdelen 5.18 respectievelijk 5.22 en 5.23 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep en

- veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van de verweerders in cassatie tot aan dit arrest begroot op f 3.000,-- voor salaris en f 632,20 aan verschotten.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2000.