Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7841

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/598
BNB 2000/386 met annotatie van A.L.C. Simons
FED 2001/9 met annotatie van R.N.G. VAN DER PAARDT
WFR 2000/1629
V-N 2000/51.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35651

25 oktober 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 juli 1999 betreffende na te melden beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak januari 1998 tot een bedrag van f 30.066,-- is door de Inspecteur bij beschikking van 1 mei 1998 ingewilligd voor een bedrag, groot f 28.815,--, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende houdt zich bezig met het - voornamelijk in opdracht van reclamebureaus - vervaardigen van filmproducties. De productie van een film vindt steeds plaats op wisselende locaties.

Voor de verstrekking van spijzen en dranken maakt belanghebbende veelal gebruik van cateringbedrijven welke op de locatie vanuit een bus de maaltijden en dranken verzorgen.

In januari 1998 heeft belanghebbende gedurende vijf dagen filmopnamen gemaakt voor een reclamespot op de derde verdieping van een pand aan de a-straat 1 te Z (hierna: het pand). De filmploeg bestond uit ongeveer 35 personen: leveranciers, freelancers, en personeelsleden van belanghebbende. Voor het verzorgen van warme maaltijden had belanghebbende een cateringbedrijf ingeschakeld. De maaltijden werden door dat bedrijf bereid en warm gehouden in een door belanghebbende gehuurde en aan dat bedrijf ter beschikking gestelde wagen, die daarvoor speciaal was ingericht en die tijdens de filmopnamen op zo dicht mogelijke afstand van het pand geparkeerd was. De maaltijden werden door de medewerkers van belanghebbende bij de wagen afgehaald in een bakje voorzien van bestek. Een maaltijd kon op elk gewenst tijdstip worden besteld en genuttigd. In de prijs van de maaltijden was verdisconteerd dat het cateringbedrijf tijdens de werkzaamheden aanwezig moest zijn. De maaltijden werden als regel op de eveneens door belanghebbende gehuurde tweede verdieping van het pand genuttigd, op welke verdieping speciaal daarvoor door belanghebbende gehuurde tafels en stoelen waren neergezet.

3.1.2. De cateraar heeft aan belanghebbende een factuur doen toekomen voor de levering en verzorging van de maaltijden. De bedragen op de factuur zijn gesplitst in een bedrag voor het leveren van maaltijden en een bedrag voor de kosten verzorging catering. Voor het verzorgen van de maaltijden is een bedrag aan omzetbelasting naar het verlaagd tarief in rekening gebracht ad f 303,30 en voor het verzorgen van de catering is een bedrag aan omzetbelasting naar het algemene tarief in rekening gebracht ad f 948,50. Belanghebbende heeft de voorbelasting met betrekking tot deze factuur op de aangifte van januari 1998 in aftrek gebracht.

Naar aanleiding van een bij belanghebbende ingesteld boekenonderzoek heeft de inspecteur de hiervóór vermelde bedragen gecorrigeerd.

3.2. Het Hof heeft uit de hiervóór in 3.1.1 vermelde feiten en omstandigheden afgeleid dat belanghebbende door het plaatsen van een als keuken ingerichte wagen en het scheppen van een eetgelegenheid in het pand de gelegenheid heeft geschapen in het pand maaltijden te verstrekken aan de desbetreffende medewerkers en dat belanghebbende met een cateringbedrijf daartoe een overeenkomst heeft gesloten. Naar ‘s Hofs oordeel worden alsdan de maaltijden voor gebruik ter plaatse verstrekt als bedoeld in artikel 15, lid 5, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) en kan de onderhavige situatie niet worden vergeleken met de aankoop van spijzen aan een rijdende snackbar.

Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat in het licht van het hiervóór overwogene voornoemd wetsartikel, dat zeer wel toelaat die bepaling aldus te lezen dat aftrek wordt uitgesloten in alle gevallen waarin het gebruik van de verstrekte spijzen en dranken geschiedt ter plaatse waar de in die bepaling bedoelde personen voor een korte periode verblijf houden, ook in het onderhavige geval de uitsluiting van de aftrek van omzetbelasting dient plaats te vinden.

3.3. De middelen keren zich tegen laatstvermeld oordeel.

De feiten laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat bij deze maaltijden geen sprake is van gebruik ter plaatse in de zin van artikel 15, lid 5, van de Wet, aangezien het gebruik plaatsvindt op een van de bedrijfsvoering van de verstrekker onafhankelijke plaats. De middelen zijn derhalve gegrond.

3.4. Op grond van het hiervóór in 3.3 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Voor het Hof was tussen partijen niet in geschil dat, indien het gelijk is aan de zijde van belanghebbende, een teruggaaf dient te worden verleend van f 1.251,--.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van het Hof;

vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

verleent een teruggaaf van f 1.251,--;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 630,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van f 80,--, derhalve in totaal f 710,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 710,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechtspersoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 25 oktober 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.