Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7838

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35598
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/596
BNB 2000/384
WFR 2000/1628, 2
V-N 2000/49.4 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35598

25 oktober 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 augustus 1999 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 88.324,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de bestreden uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. Voorzover het eerste middel betoogt dat de in artikel 44m, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voor de toepassing van de zelfstandigenaftrek opgenomen leeftijdsgrens van 65 jaar een door artikel 26 IVBPR en/of artikel 14 EVRM verboden discriminatie oplevert, faalt het middel, gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 6 juni 1990, nr. 26690, BNB 1990/212, en 3 maart 1999, nr. 34339, BNB 1999/202, heeft geoordeeld.

3.2. Ook voorzover het eerste middel betoogt dat de verhogingen van de zelfstandigenaftrek die na de invoering van artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, bij de Wet van 9 februari 1984, Stb. 27, hebben plaatsgevonden, een verboden discriminatie opleveren in de zin van artikel 26 IVBPR en/of artikel 14 EVRM, faalt het.

Immers, bij latere verhogingen van de zelfstandigenaftrek hebben overwegingen een rol gespeeld, die de oorspronkelijke doelstelling van de aftrek als zodanig niet aantasten. In het licht van het met de zelfstandigenaftrek beoogde doel is de leeftijdsgrens ook na deze verhogingen objectief en redelijkerwijs te rechtvaardigen.

3.3 De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is op 25 oktober 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.