Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7837

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35508
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/643
BNB 2000/368
FED 2000/595
WFR 2000/1628, 1
V-N 2000/55.27 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35508

25 oktober 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 juni 1999 betreffende na te melden ten aanzien van hem genomen beschikking als bedoeld in artikel 22, lid 1, van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vleuten-De Meern (hierna: B en W) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z, voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op f 159.000,--.

Na tegen deze beschikking gemaakt bezwaar is deze waarde bij uitspraak B en W gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

B en W hebben een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het onderhavige pand is gelegen op korte afstand van de spoorbaan tussen Q en R. Op de waardepeildatum 1 januari 1992 bestonden plannen deze spoorbaan te verbreden, maar was het tijdstip waarop het pand in verband met de verbreding van deze spoorbaan zou worden gesloopt onzeker.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat deze onzekerheid geen waardedrukkende factor vormt en heeft daartoe redengevend geoordeeld dat, “indien belanghebbende zijn woning zou moeten afstaan ten behoeve van de verbreding van de spoorbaan, daarvoor (...) immers, naar moet worden aangenomen, een met de waarde van de woning overeen komende vergoeding [zal] kunnen worden verkregen”.

3.3. In de vierde klacht wordt deze redengeving terecht bestreden. Nu het van algemene bekendheid is dat in een geval als dit gewoonlijk een vergoeding wordt betaald, stond het het Hof weliswaar, anders dan belanghebbende betoogt, vrij die omstandigheid in zijn oordeel te betrekken, hoewel die niet door B en W was aangevoerd, maar zonder nadere redengeving, die de uitspraak van het Hof niet bevat, valt niet in te zien waarom die omstandigheid op zichzelf het oordeel kan rechtvaardigen dat gegadigden voor het pand geen enkele waardedrukkende invloed aan de in 3.1 bedoelde onzekerheid zouden toekennen.

3.4. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten in cassatie als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest,

- gelast dat door B en W aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 340,--, en

- wijst de gemeente Vleuten-De Meern aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 25 oktober 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos en D.H. Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.A. Fase, en op die datum in het openbaar uitgesproken.