Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7792

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00082/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7792
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 520
NJ 2001, 33
Module Privacy en persoonsgegevens 2000/636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 oktober 2000

Strafkamer

nr. 00082/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage

van 19 november 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven

beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een von-nis van de Arron-disse--

mentsrechtbank te Dordrecht van 7 juli 1998 - de verdachte ter zake van “valsheid

in geschrift, meermalen gepleegd” veroordeeld tot vijftien maanden

gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee

jaren.

1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers,

advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan

dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep

zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel, dat klaagt over het ontbreken van een gewaarmerkt afschrift van de

bestreden uitspraak bij de processtukken, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag

nu een dergelijk afschrift inmiddels in het dossier is gevoegd.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1 Het middel komt met een aantal klachten op tegen de verwerping door het Hof

van een in hoger beroep gevoerd verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in welk

verband is betoogd dat de Belastingdienst in strijd met de geheimhoudingsplicht

van art. 67 AWR informatie heeft verstrekt en dat op die grond de start van het

strafrechtelijk onderzoek onrechtmatig was.

4.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer samengevat op blz. 2 van

het bestreden arrest en heeft dat verweer verworpen op blz. 2 tot en met 5 van dat

arrest.

4.3 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij zich in

de periode van 31 maart 1991 tot en met 27 december 1995 heeft schuldig

gemaakt aan valsheid in geschrift door op AWW/WAO-formulieren niet op te

geven dat hij inkomsten uit arbeid had.

4.4 In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende.

(i) Op 29 mei 1995 heeft de Belastingdienst te Gorinchem aan functionarissen

van het GAK medegedeeld dat de verdachte naast zijn

arbeidsongeschiktheidsuitkering andere inkomsten had ontvangen en dat een door

de Belastingdienst ingesteld onderzoek had uitgewezen dat de inkomsten hoger

waren dan door de verdachte waren opgegeven in een aangiftebiljet betreffende de

inkomstenbelasting;

(ii) Op 22 mei 1996 heeft een aan het GAK verbonden verbalisant een onderzoek

ingesteld in hem door de Belastingdienst ter beschikking gestelde

belastingdossiers betreffende de verdachte.

4.5 De eerste klacht van het middel is gericht tegen de verwerping door het Hof

van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de door de

Belastingdienst op eigen initiatief verstrekte startinformatie afkomstig was uit een

“persoonsregistratie” in de zin van de Wet persoonsregistraties (WPR).

Bij de beoordeling van deze klacht is het volgende wettelijk kader van belang.

- Ingevolge art. 67, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen

(AWR) rust op ambtenaren van de belastingdienst een geheimhoudingsplicht. Het

tweede lid van art. 67 AWR houdt in dat de Minister van Financiën ontheffing

daarvan kan verlenen.

- Een nadere regeling van de gevallen waarin de belastingdienst informatie mag

verstrekken aan anderen is opgenomen in het ten tijde van de aanvang van het

onderzoek geldende Voorschrift Informatieverstrekking 1993 (Besluit van 14

december 1992, Stcrt. 1992, 251).

- Par. 5.1 van het VIV 1993 houdt in dat het op eigen initiatief verstrekken van

gegevens uit door de Belastingdienst aangehouden persoonsregistraties niet is

toegestaan.

- Onder een persoonsregistratie moet blijkens art. 1 WPR worden verstaan “een

samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende

persoonsgegevens, die langs geautomatiseerde weg wordt gevoerd of met het oog

op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd”.

- Par. 2.4.1 van het VIV 1993 omschrijft het begrip persoonsregistratie onder

verwijzing naar de WPR en bepaalt voorts:

“Een legger- of dossierverzameling bij de Belastingdienst wordt niet beschouwd

als een persoonsregistratie. Dat betekent dat de informatie die daarin is

opgenomen niet onder de werking van de WPR valt. Is deze informatie

oorspronkelijk afkomstig uit een persoonsregistratie dan geldt de WPR wel.

Hierbij valt te denken aan een uitdraai uit een geautomatiseerde administratie in

de legger. (…)

Als informatie niet afkomstig is uit een persoonsregistratie en darmee niet onder

de werking van de WPR valt, is spontane verstrekking in beginsel wel mogelijk”.

4.6 Het Hof heeft het verweer dat eerdergenoemde startinformatie afkomstig was

uit een persoonsregistratie als volgt verworpen:

“(…) blijkt nergens uit dat de door de Belastingdienst verstrekte startinformatie,

inhoudende “dat de inkomsten hoger waren dan door [verdachte] werd aangegeven

op zijn aangiftebiljet IB” afkomstig was uit een persoonsregistratie. Veeleer is

aannemelijk dat deze startinformatie afkomstig was uit een inmiddels met

betrekking tot de verdachte aan de hand van zijn aangifte IB gevormd

belastingdossier (…). Een dossier valt niet onder het begrip “persoonsregistratie”

in de zin van de Wet persoonsregistraties (paragraaf 5.1 VIV 1993)”.

Dit oordeel, hierop neerkomende dat niet aannemelijk is geworden dat de

startinformatie afkomstig was uit een persoonsregistratie geeft gelet op de

hiervoor weergegeven bepalingen van de WPR en van het VIV 1993 geen blijk van

een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen op dit

punt in hoger beroep is aangevoerd alwaar blijkens de pleitnota slechts gewezen

is op een aantal stukken betrekking hebbende op de verdachte en zijn

economische activiteiten welke het betreffende dossier zou hebben bevat.

4.7 Het middel klaagt voorts over de verwerping door het Hof van het in hoger

beroep gevoerde verweer dat uit het dossier niet kan volgen dat het voorstel tot

verstrekking van genoemde startinformatie overeenkomstig het bepaalde in de VIV

1993 ter beslissing is voorgelegd aan het hoofd van de eenheid van de

belastingdienst. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld

dat het VIV in par. 5.3 met betrekking tot het verstrekken van informatie aan

overheidsinstellingen het volgende inhoudt.

“Informatieverstrekking op eigen initiatief is alleen mogelijk indien deze informatie

van belang kan zijn voor en naar verwachting zal worden gebruikt bij de

voorkoming of bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen van

de overheid. (…) Spontane informatieverstrekking blijft achterwege bij een te

gering financieel belang. Ook moet worden voorkomen dat informatie wordt

verstrekt zonder dat het enig effect heeft, bijvoorbeeld omdat de informatie-

ontvangende instelling niet de capaciteit heeft deze te verwerken of het

beleidsmatig niet opportuun acht om maatregelen te nemen”.

4.8 Gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van par. 5.3 van het VIV strekt de

regel inhoudende dat het voorstel moet worden voorgelegd aan het hoofd van de

desbetreffende eenheid van de belastingdienst, niet tot bescherming van de

rechten van derden als de verdachte, maar ter bevordering van de doelmatigheid

van het functioneren van de belastingdienst en andere overheidsinstellingen op het

punt van de daarin voorziene informatie-uitwisseling.

Hieruit volgt dat het Hof het verweer terecht heeft verworpen, zodat buiten

beschouwing kan blijven hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen.

4.9 De in de toelichting op het middel onder d tot en met f verwoorde klachten

richten zich tegen overwegingen van het Hof die klaarblijkelijk ten overvloede zijn

gegeven, zodat deze niet tot cassatie kunnen leiden.

4.10. Het middel treft geen doel.

5. Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen

nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in

het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen

grond aanwezig oordeelt waarop de be-streden uitspraak ambtshalve zou behoren

te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zitter, en de

Raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de

waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 24 oktober 2000.