Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7788

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00711/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7788
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 518
NJ 2001, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 oktober 2000

Strafkamer

nr. 00711/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te

Breda, van 15 maart 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van deze

Rechtbank gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum] 1937,

wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek

gewezen von-nis van het Kantongerecht te Breda van 18 april 1997 - de verdachte

van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van “als degene aan wie

het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig, waarvan een kentekenbewijs is

afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheids-

verzekering motorrijtuigen heeft gesloten en in stand gehouden” veroordeeld tot

twee weken hechtenis met ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te

besturen voor de tijd van vier maanden.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is

ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te

Zeist, bij schriftuur midde-len van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit

arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de

raadsman, op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het eerste middel strekt onder meer ten betoge dat de Rechtbank ten

onrechte de ter terechtzitting in hoger beroep van 15 maart 1999 gedane vordering

tot wijziging van de tenlastelegging heeft toegewezen. Gesteld wordt dat aldus

aan de bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde overtreding van art. 30, eerste

lid, WAM, begaan op 9 juli 1996, is toegevoegd de overtreding van art. 30, tweede

lid, WAM, eveneens begaan op 9 juli 1996, welke laatste overtreding ten tijde van

bedoelde vordering evenwel was verjaard.

3.2 In aanmerking genomen dat de tenlastelegging tengevolge van de door de

Rechtbank toegelaten wijziging niet een ander feit in de zin van art. 68 Sr is gaan

inhouden, hebben de vervolgingsdaden ten aanzien van de oorspronkelijk

tenlastegelegde overtreding ook te gelden als vervolgingsdaden ten aanzien van de

overtreding die bij die wijziging is toegevoegd. Het middel dat kennelijk van een

andere opvatting uitgaat, faalt dus.

3.3 De overige klachten van het eerste middel en het tweede middel kunnen niet

tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu

de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het

belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4 De middelen falen daarom.

4. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen

grond aanwezig oordeelt waarop de be-streden uitspraak - voorzover aan zijn

oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het

beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de

raadsheren F.H. Koster, J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, en B.C. de Savornin

Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 oktober

2000.