Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7786

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
112918
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7786
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 oktober 2000

Strafkamer

nr. 112918

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

29 maart 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven

beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 26 januari 1998 - voorzover aan ’s

Hofs oordeel onderworpen - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende

dagvaarding onder 1., 2., 3. en 4. tenlastegelegde en hem voorts ter zake van

“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, lid 1 onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf,

met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep - dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraken - is

ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.I.M.G. Jahae, advocaat te

Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is

aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak

wordt vernietigd voorzover het betreft de kwalificatie van het bewezenverklaarde en

voorzover onder de toepasselijk verklaarde wetsartikelen de artikelen 2 en 10 van

de Opiumwet zijn opgenomen, dat de kwalificatie wordt verbeterd door het

bewezenverklaarde aan te merken als “opzettelijk handelen in strijd met een in

artikel 3, eerste lid onder B, Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” en

dat artikel 11 Opiumwet wordt vermeld bij de overige toepasselijke wetsartikelen,

met verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de

raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het middel en

ambtshalve

3.1 Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte “in de periode van 1 april tot

en met 9 december 1996 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht

handelshoeveelheden hashish”.

3.2 Voorzover het middel blijkens de daarop gegeven toelichting onder b strekt en

betoge dat de bewezenverklaring, voorzover daarin meer dan één feit is vervat,

ontoereikend is gemotiveerd, kan het niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien

art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot

beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de

rechtsontwikkeling. Dat brengt mee dat ook de klacht dat de kwalificatie ten

onrechte inhoudt dat het feit meermalen is gepleegd geen doel treft.

Het middel slaagt evenwel voorzover het klaagt dat de kwalificatie voor het overige

ondeugdelijk is.

De kwalificatie “Opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, lid 1, onder B, van

de Opiumwet gegeven verbod”, is onjuist en dient te luiden: “Opzettelijk handelen

in strijd met een in art. 3, eerste lid onder B, Opiumwet gegeven verbod”. De Hoge

Raad zal de kwalificatie verbeteren.

3.3 Het Hof heeft onder de artikelen waarop de strafoplegging is gegrond naast

art. 57 Sr onder meer de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet aangehaald, dat

laatste evenwel ten onrechte omdat, naar voortvloeit uit hetgeen hiervoor onder 3.2

is overwogen, de artikelen 3 en 11 Opiumwet hier van toepassing zijn. Nu het Hof,

gelet op de uiteenlopende strafmaxima in art. 10 (derde lid) en 11 (derde lid)

Opiumwet, bij de strafoplegging van een te hoog strafmaximum is uitgegaan, kan

de bestreden uitspraak voor wat de strafoplegging betreft niet in stand blijven.

4. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3.3 genoemde grond

aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve

zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt

moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, doch

uitsluitend voor wat betreft de aan het bewezenverklaarde gegeven kwalificatie, de

vermelding van de art. 2 en 10 Opiumwet als toepasselijke wettelijke voorschriften

en de strafoplegging;

Kwalificeert het bewezenverklaarde als:

“Opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, eerste lid onder B, Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd”;

Vermeldt als toepasselijke wettelijke voorschriften de art. 3 en 11 Opiumwet;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak voor wat

de strafoplegging betreft op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en

afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de

raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P.

Balkema, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 oktober

2000.