Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7702

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-10-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/359HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7702
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 347
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 420
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 502
NJ 2000, 692
RvdW 2000, 209
WR 2001, 12 met annotatie van P.M. Gompen
JWB 2000/176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 oktober 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/359HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: jhr. mr. J.L.R.A. Huydecoper.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 6 september 1995 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Tilburg en gevorderd bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. te bepalen dat de tussen partijen bestaande huurovereenkomst eindigt per 1 augustus 1996, althans op zodanig tijdstip als de Kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

b. [eiser] te veroordelen om het gehuurde tegen de bepaalde beëindigingsdatum met al het zijne en de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag.

[Eiser] heeft deze vorderingen bestreden en subsidiair, in geval van toewijzing van de vordering, gevorderd een bedrag vast te stellen dat [verweerder] aan [eiser] dient te betalen ter tegemoetkoming in zijn verhuis- en inrichtingskosten.

Na een tussenvonnis van 12 oktober 1995, waarbij een comparitie van partijen is gelast, heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 25 april 1996 bepaald dat de huurovereenkomst tussen partijen betreffende de thans door [eiser] gehuurde bedrijfsruimte zal eindigen op 1 augustus 1996 om 00.00 uur, [eiser] veroordeeld om het gehuurde uiterlijk op dit tijdstip met al het zijne en al de zijnen te ontruimen en ontruimd te houden, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag dat [eiser] met de tijdige en algehele ontruiming in gebreke mocht blijven, met dien verstande dat niet meer dan ƒ 250.000,-- aan dwangsommen te dier zake zal kunnen worden verbeurd, en het meer of anders gevorderde ontzegd.

Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.

[Verweerder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 8 juli 1997 in het principaal appel een deskundigenonderzoek gelast, voorlopige vragen voor dat onderzoek geformuleerd en een deskundige voorgesteld, en bij tussenvonnis van 16 september 1997 in het principaal appel een dergelijk onderzoek gelast, definitieve vragen geformuleerd en een deskundige benoemd. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 24 november 1998 in het principaal appel de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis door [eiser] voor specificatie van de door hem te maken verhuis- en inrichtingskosten. Vervolgens heeft de Rechtbank bij tussen- vonnis van 11 mei 1999 in het principaal appel [verweerder] in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van drie weken na datum van dit vonnis de opzegging van de huurovereenkomst in te trekken. Bij eindvonnis van 24 augustus 1999 heeft de Rechtbank in het principaal appel het bestreden eindvonnis van de Kantonrechter vernietigd, voor zover daarbij de verhuis- en inrichtingskosten zijn afgewezen. Opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van ƒ 17.660,--, en het vonnis voor het overige bekrachtigd, met dien verstande dat wordt bepaald dat de huurovereenkomst tussen [verweerder] en [eiser] zal eindigen op 1 november 1999 om 00.00 uur en [eiser] het gehuurde uiterlijk op laatstgenoemd tijdstip dient te ontruimen. In het incidenteel appel heeft de Rechtbank voormeld eindvonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

De vonnissen van de Rechtbank van 8 juli 1997, 16 september 1997, 24 november 1998, 11 mei 1999 en 24 augustus 1999 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de vijf vermelde vonnissen van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, tot verwijzing van de zaak en tot veroordeling van [verweerder] in de kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerder] verhuurt aan zijn broer [eiser] een werkplaats met garageboxen te [woonplaats], [adres], waarin [eiser] een autobedrijf exploiteert. Het gehuurde is aan te merken als bedrijfsruimte in de zin van art. 7A:1624 BW.

(ii) De huurovereenkomst is aangegaan in 1983 door de moeder van partijen als verhuurster; [verweerder] is haar rechtsopvolger als verhuurder. De overeenkomst loopt vanaf 1993 door voor onbepaalde tijd.

(iii) [Verweerder] is directeur en enig aandeelhouder van [A] B.V. - hierna: de vennootschap - welke vennootschap op een terrein grenzend aan het gehuurde een benzinetankstation exploiteert.

(iv) Op 11 juli 1995 is namens [verweerder] bij aangetekende brief de huurovereenkomst opgezegd met ingang van 1 augustus 1996, op grond van de wens het gehuurde persoonlijk in duurzaam gebruik te nemen.

3.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] gevorderd te bepalen dat de huurovereenkomst per 1 augustus 1996 eindigt, en [eiser] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde. [Verweerder] heeft aan deze vordering onder meer ten grondslag gelegd dat hij, althans de vennootschap, een wasstraat wil aanleggen, en dat dit niet mogelijk is zonder het gehuurde. [Eiser] heeft ten verwere aangevoerd dat [verweerder] niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat niet hij maar de vennootschap het voornemen heeft het gehuurde in gebruik te nemen. Nadat [verweerder] zijn stellingen had aangevuld in dier voege dat hij bereid is de wasstraat in per-soon te gaan exploiteren, heeft de Kantonrechter de vorderingen toegewezen.

De Rechtbank heeft bij haar eindvonnis van 24 augustus 1999 in het door [eiser] ingestelde principale appel de datum van beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde bepaald op 1 november 1999, [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van

ƒ 17.660,-- als tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten, en voor het overige het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.3 De onderdelen 1.2 en 1.3 keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van de Rechtbank in haar tussenvonnissen van 8 juli 1997 en 24 november 1998 dat [verweerder] en de vennootschap dienen te worden vereenzelvigd. Zij betogen, klaarblijkelijk op het voetspoor van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in rov. 3.6 van zijn arrest van 13 december 1996, nr. 16115, NJ 1997, 557, dat de Rechtbank hetzij heeft miskend dat voor een dergelijke vereenzelviging slechts plaats kan zijn indien op grond van alle omstandigheden - waaronder de statutaire doelomschrijving van de vennootschap - moet worden aangenomen dat het eigen belang van [verweerder] wordt gediend door het gebruik dat de vennootschap van het gehuurde wil gaan maken, hetzij haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

De onderdelen zien evenwel eraan voorbij dat als hoofdregel heeft te gelden dat persoonlijk gebruik door een ander dan de verhuurder als eigen gebruik kan gelden indien de verhuurder door het gehuurde aan die ander in gebruik te geven zijn eigen belang dient (HR 20 september 1985, nr. 6682, NJ 1986, 261). Daaraan doet voor het onderhavige geval niet af hetgeen de Hoge Raad in zijn voormelde arrest van 13 december 1996 heeft overwogen, nu het in dat geding ging om een geval waarin een dochtervennootschap als verhuurder gebruik door haar moedervennootschap als eigen gebruik aangemerkt wenste te zien, en niet om de situatie die hier aan de orde is, te weten dat een verhuurder die directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap is, het gehuurde aan die vennootschap in gebruik wil geven. In laatstbedoelde situatie zal in het algemeen ervan mogen worden uitgegaan, zoals de Rechtbank ook kennelijk in het onderhavige geval heeft gedaan, dat een eigen belang van de verhuurder ([verweerder]) wordt gediend door het gehuurde in gebruik te geven aan de vennootschap en dat dit gebruik derhalve heeft te gelden als eigen gebruik door de verhuurder.

De Rechtbank is derhalve uitgegaan van een juiste rechtsopvatting en heeft haar oordeel niet ontoereikend gemotiveerd, zodat de onderdelen tevergeefs zijn voorgesteld.

3.4 Hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen brengt mee dat ook de onderdelen 1.4 en 1.5 falen.

3.5 In haar tussenvonnis van 24 november 1998 heeft de Rechtbank het door de door haar benoemde deskundige Van Rietschoten opgemaakte rapport alsmede de daaromtrent door partijen gemaakte opmerkingen besproken. Zij heeft de klacht van [eiser] verworpen dat de deskundige niet heeft onderzocht of het mogelijk was een wasstraat op het perceel […] te realiseren op een zodanige wijze dat de garage van [eiser] kan blijven bestaan.

Onderdeel 2, dat in zijn onderscheiden subonderdelen klaagt dat de Rechtbank dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, is tevergeefs voorgesteld. In zijn rapport heeft de deskundige, zoals de Rechtbank overweegt, opgemerkt dat het risico bestaat dat een bedrijfseconomisch verantwoorde exploitatie van de wasstraat niet haalbaar zal zijn, als garagebedrijf en woonhuis van [eiser] op de huidige locatie blijven bestaan. In de opmerkingen naar aanleiding van het conceptrapport van de deskundige heeft de raadsman van [eiser] opgemerkt dat in de gesprekken met de deskundige de mogelijkheid aan de orde is geweest de wasstraat zodanig te realiseren dat slechts een gedeelte van het gehuurde in beslag zou worden genomen, en dat daaromtrent in het conceptrapport niets is terug te vinden. Daaraan wordt dan de vraag verbonden of en waarom deze mogelijkheid niet realiseerbaar is.

Hetgeen de Rechtbank hieromtrent heeft overwogen moet aldus worden verstaan dat naar haar oordeel de deskundige van mening is geweest dat dit geen reële optie was en dat zij deze zienswijze heeft onderschreven. Dit oordeel, dat berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de stukken van het geding, is niet onbegrijpelijk. De Rechtbank behoefde haar oordeel ook niet nader te motiveren.

3.6 Ingevolge art. 7A:1628a BW is de verhuurder, ingeval de vordering van de verhuurder tot beëindiging van de huur wordt toegewezen, kort gezegd, jegens de huurder tot schadevergoe-ding gehouden, indien de wil het verhuurde persoonlijk in gebruik te nemen als bedrijfsruimte in werkelijkheid niet aanwezig is geweest. Volgens het derde lid van dit artikel is de rechter bevoegd op vordering van de huurder of ambtshalve voor dat geval een bedrag te bepalen, onverminderd het recht van de huurder op verdere schadevergoeding.

In zijn conclusie na het tussenvonnis van 24 november 1998 heeft [eiser] op deze voet bepaling van een bedrag van ƒ 200.000,-- gevorderd. De Rechtbank heeft het geldend maken van deze vordering aangemerkt als een nieuwe grief en daarop geen acht geslagen. Aldus heeft de Rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Noch uit de tekst van het artikel noch uit zijn strekking volgt dat het aanspraak maken op zodanig bedrag moet worden aangemerkt als een verweer dat voor de toepassing van art. 347 Rv. is te beschouwen als een nieuwe grief. Evenmin kan worden aanvaard dat hiertoe een vordering in reconventie zou moeten worden ingesteld. Aangenomen moet dan ook worden dat bepaling van een dergelijk bedrag in feitelijke instantie in beginsel in elke stand van het geding kan worden gevorderd. Dit zal anders zijn wanneer indiening van deze vordering in een zo laat stadium van het geding ge-schiedt, dat zulks in strijd is met de eisen van een goede procesorde, doch hieromtrent heeft de Rechtbank niets vastgesteld.

Onderdeel 3.2 is derhalve gegrond.

3.7 Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden vonnissen van 11 mei 1999 en 24 augustus 1999 niet in stand kunnen blijven. Verwijzing moet volgen, doch uitsluitend ten-einde te beslissen op de hiervoor in 3.6 bedoelde vordering van [eiser]. Nu de klachten die zich richten tegen de beslissing van de Rechtbank dat de huurovereenkomst is geëindigd tevergeefs zijn voorgesteld, kan de Hoge Raad in zoverre zelf de zaak afdoen dat wordt bepaald dat de huurovereenkomst is geëindigd en dat een datum voor de ontruiming wordt vastgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de vonnissen van de Rechtbank te Breda van 11 mei 1999 en 24 augustus 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

bepaalt dat de huurovereenkomst eindigt op 1 februari 2001 en dat [eiser] uiterlijk op die datum het gehuurde dient te hebben ontruimd;

verwerpt het beroep voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, C.H.M. Jansen, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 20 oktober 2000.