Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7491

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-10-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/244HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7491
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 483
NJ 2000, 699 met annotatie van J.M.M. Maeijer
RvdW 2000, 205
Ondernemingsrecht 2000, 58 met annotatie van L. Mok, L. Timmerman
JWB 2000/169
JOR 2000/239
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 oktober 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/244HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J.L.W. Sillevis Smitt,

t e g e n

STICHTING ONDERZOEK BEDRIJFS INFORMATIE SOBI, handelende als gevolmachtigde van 147 in de cassatiedagvaarding vermelde natuurlijke personen,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie als gevolmachtigde van 147 in de dagvaarding vermelde natuurlijke personen - verder te noemen: Sobi c.q. de leden - heeft bij exploit van 6 december 1993 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser 1] en [eiseres 2] - gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en gevorderd [eiser 1] en [eiseres 2] hoofdelijk des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen tot betaling van de schade zoals door de leden geleden als gevolg van de in deze dagvaarding beschreven gedragingen van [eiser 1], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, inclusief vervangingsrente, subsidiair onderworpen aan de wettelijke rente, te rekenen vanaf 1 september 1993.

[Eiser 1] en [eiseres 2] hebben de vordering bestreden en een provisionele eis ex art. 51 Rv. ingesteld en gevorderd de in deze conclusie vermelde beslagen op te heffen, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 5.000,-- per dag.

Sobi heeft de incidentele vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 6 oktober 1994 in het incident de provisionele vorderingen van [eiser 1] en [eiseres 2] afgewezen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Bij vonnis van 14 november 1996 heeft de Rechtbank Sobi niet-ontvankelijk in haar vordering verklaard.

Tegen laatstvermeld vonnis hebben Sobi en de leden hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij memorie van grieven hebben zij hun eis vermeerderd met een vordering tot verklaring voor recht dat [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de materiële procespartijen die Sobi als gevolmachtigde vertegenwoordigt. Daarnaast hebben de leden schadevergoeding op te maken bij schadestaat gevorderd.

[Eiser 1] c.s. heeft een akte genomen houdende exceptie als bedoeld in art. 347 lid 3 Rv., verzet ex art. 134 lid 2 Rv., alsmede verzoek ex art. 3:71 BW en (subsidiair) kennisgeving ex art. 3:69 lid 3 BW.

Na verweer zijdens de leden heeft het Hof bij arrest van 19 mei 1998 in het incident het door [eiser 1] gevoerde exceptief verweer verworpen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Bij arrest van 27 april 1999 heeft het Hof in de hoofdzaak het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van de leden toegewezen.

Het arrest van het Hof van 27 april 1999 is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen laatstvermeld arrest van het Hof hebben [eiser 1] en [eiseres 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De leden hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de leden mede door mr. M.H.J. van den Horst, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser 1] en [eiseres 2] heeft bij brief van 11 mei 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de leden van de coöperatie Heino Krause (die inmiddels door fusie is opgegaan in de coöperatieve vereniging Verenigde Coöperatieve Melkindustrie Coberco B.A., hierna: Coberco) een vordering tot schadevergoeding kunnen instellen tegen de voormalig directeur van de coöperatie ([eiser 1]) wegens door deze bij de bedrijfsvoering van de coöperatie gevoerd wanbeleid als gevolg waarvan de leden (ook) zelf schade hebben geleden; [eiser 1] maakte niet deel uit van bestuur van de coöperatie. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. In hoger beroep heeft het Hof het eindvonnis van de Rechtbank vernietigd en voor recht verklaard dat [eiser 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de leden van de coöperatie Heino Krause. Daartoe heeft het Hof - kort samengevat - het volgende overwogen.

(a) Van belang is dat Heino Krause een traditionele coöperatie was waaraan de leden al hun melk leverden tegen betaling van melkgelden, waarvan de hoogte afhankelijk was van het bedrijfsresultaat van Heino Krause. De nadelige resultaten van Heino Krause over de jaren 1985-1990 (ten gevolge van het wanbeleid van [eiser 1]) zijn aldus via lagere melkgelden doorgegeven aan de leden. Deze definitieve schade van de leden staat los van de schade van Heino Krause. Dat er sprake was van nadelige resultaten staat vast: in 1990 is een negatief saldo van ƒ 22 miljoen ten laste van de leden gebracht. Nu Heino Krause geen schade heeft geleden, moeten de leden die wel schade hebben geleden, deze als hun eigen schade kunnen vorderen (rov. 4.2).

(b) De leden kunnen [eiser 1] daarvoor rechtstreeks aanspreken indien hij jegens hen een specifieke zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden. Dat is het geval, nu het door [eiser 1] als directeur van Heino Krause gevoerde beleid rechtstreeks gevolgen had voor de financiële positie van de leden, voor welke positie [eiser 1] verantwoordelijkheid had (rov. 4.3).

(c) Aan de ontvankelijkheid van de leden in hun vordering kan niet afdoen dat zij dezelfde schade ook vorderen van Coberco en Moret, Ernst & Young (rov. 4.4).

(d) [Eiser 1] heeft wanbeleid gevoerd waardoor hij toerekenbare en voorzienbare schade heeft veroorzaakt voor de leden. Hij heeft zonder medeweten van het bestuur en de leden in strijd met de wettelijke bepalingen stelselmatig lactose doen toevoegen aan melk en melkpoeder. De melkpoeder werd als puur en onverdund verkocht. [Eiser 1] ging in toenemende mate over tot het bijkopen van melk en melkpoeder bij derden in een omvang en op een wijze waarin het bestuur en de leden van Heino Krause onvoldoende zijn gekend. Deze derden ontvingen, in strijd met art. 24 van het huishoudelijk reglement van Heino Krause, voor de melk een hogere prijs dan de leden. [Eiser 1] breidde de omzet aanmerkelijk uit waarbij hij in strijd met de bedoeling van het bestuur oude indampers en twee oude sproeidroogtorens in bedrijf hield, hoewel daarvoor geen bedrijfseconomische noodzaak aanwezig was. [Eiser 1] heeft aan het bestuur en de leden onjuiste en onvolledige informatie gegeven. Zo is de inkoop van melkpoeder gepresenteerd als inkoop van melk en zijn de langlopende, verliesgevende, contracten met Duitse leveranciers niet in de jaarrekening vermeld. Daarbij ging het om een nadeel van in totaal ƒ 25 miljoen. De schade voor de leden was voorzienbaar. De verboden lactosetoevoeging zou vroeg of laat ophouden, terwijl Heino Krause dan nog wel vast zat aan de langlopende dure melkinkoopcontracten (rov. 4.7).

3.2 Het middel dat uit drie onderdelen bestaat, bestrijdt de beslissingen die zijn vervat in de hiervoor onder (a) tot en met (c) samengevatte rov. 4.2 - 4.4 van het arrest van het Hof, met rechts- en motiveringsklachten. In cassatie moet worden uitgegaan van het door het Hof vastgestelde wanbeleid als hiervóór in 3.1 (d) is vermeld.

3.3 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

(i) Een coöperatie zoals Heino Krause er een was, exploiteert als rechtspersoon een bedrijf ten behoeve van haar leden. Als zodanig oefent zij zelfstandig alle rechten en verplichtingen uit die met de bedrijfsvoering samenhangen. Daaronder valt ook te begrijpen het recht om, indien daartoe gronden bestaan, schadevergoeding te vorderen van degene die haar in deze bedrijfsvoering heeft benadeeld.

(ii) Indien aan de directeur van een coöperatie die niet deel uitmaakt van haar bestuur, wanbeleid wordt verweten van een ernst en omvang als waarvan in dit geding moet worden uitgegaan, zal moeten worden aangenomen dat de directeur door de coöperatie in dienst waarvan hij als directeur werkzaam is, onder omstandigheden - binnen de grenzen van het bepaalde in art. 7:661 BW - aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die van dat wanbeleid een gevolg is geweest. Voorzover de directeur uit hoofde van die aansprakelijkheid schadeplichtig is en aan die verplichting heeft voldaan, zal de door de directeur betaalde vergoeding worden verwerkt in de resultaten van de coöperatie.

(iii) De leden van de coöperatie hebben hun belangen ondergebracht in een rechtspersoon die zich ten doel stelt door een gezamenlijke bedrijfsvoering te voorzien in de stoffelijke behoeften van zijn leden. De coöperatie zal ter bereiking van dat doel de gezamenlijke belangen van de leden moeten behartigen, ook wanneer het gaat om het verhalen van in de bedrijfsvoering geleden schade. De leden van de coöperatie hebben uit hoofde van hun lidmaatschap van de coöperatie en op grond van hun contractuele verhouding met de coöperatie voldoende mogelijkheden zo nodig hun eigen belangen ten opzichte van de coöperatie te beschermen en de coöperatie aan te spreken voor de financiële nadelen die zij mochten hebben ondervonden in hun betrekking met de coöperatie.

3.4 Op grond van het onder 3.3 overwogene moet in beginsel worden aangenomen dat de leden van de coöperatie niet zelfstandig een vordering kunnen instellen ter zake van schade die door in dienst van de coöperatie werkzame personen, zoals de directeur, is veroorzaakt in de uitoefening van het bedrijf van die coöperatie. Op die regel zal een uitzondering kunnen worden aanvaard, indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens een lid van de coöperatie en deze rechtstreeks in zijn vermogen benadeelt. Van een rechtstreekse benadeling kan echter geen sprake zijn wanneer het nadeel wordt veroorzaakt door de negatieve bedrijfsresultaten ten gevolge van wanbeleid van de directeur van de coöperatie in de bedrijfsvoering, waardoor het lid van de coöperatie minder melkgelden ontvangt dan hij zonder dat wanbeleid zou hebben verkregen. Uit de aard van een coöperatie als de onderhavige die wordt gekenmerkt door het feit dat een bedrijf wordt uitgeoefend ten behoeve van de leden die daartoe tevens overeenkomsten sluiten met de coöperatie, volgt weliswaar dat de bedrijfsresultaten uiteindelijk aan de leden ten goede kunnen komen, doch hieruit volgt niet dat sprake is van rechtstreekse benadeling als vorenbedoeld.

3.5 Het middel bevat een aantal klachten die in overeenstemming met het vorenstaande betogen dat het Hof in het onderhavige geval is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder de klachten die zich richten tegen de door het Hof aanvaarde opvatting (i) dat te dezen geen sprake is van afgeleide schade en (ii) dat [eiser 1] jegens de leden een specifieke zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden, treffen doel.

Wat (i) betreft moet worden opgemerkt dat van een rechtstreekse schade reeds daarom geen sprake kan zijn omdat het door de leden ondervonden nadeel een gevolg is van de door het wanbeleid van [eiser 1] veroorzaakte negatieve bedrijfsresultaten van de coöperatie. De resultaten van de coöperatie hebben wel belangrijke invloed op, doch vallen niet samen met de resultaten van de bedrijven van de leden. De coöperatie oefent immers als rechtspersoon haar eigen bedrijf uit en het gestelde wanbeleid van haar directeur heeft primair gevolgen voor de bedrijfsresultaten van de coöperatie. De door de leden in dit geding gevorderde schade is daarom niet een rechtstreekse, doch een afgeleide schade.

Wat (ii) betreft heeft het Hof ten onrechte in de rechtsverhouding tussen de leden en de coöperatie reden gevonden een specifieke zorgvuldigheidsplicht van [eiser 1] jegens de leden van de coöperatie te aanvaarden. Het Hof heeft daarmee miskend dat de leden op grond van hun lidmaatschap van de coöperatie en op grond van de overeenkomsten die zij met de coöperatie hebben gesloten, een rechtsbetrekking onderhouden met de coöperatie op grond waarvan zij mogen verwachten dat de coöperatie hun belangen op een zorgvuldige wijze zal dienen. [Eiser 1] moest zich als directeur in dienst van de coöperatie ervoor inspannen dat de coöperatie in de uitoefening van het bedrijf zich naar die norm zou gedragen, doch daaruit volgt niet - zoals reeds in 3.4 is overwogen - dat hij ten opzichte van de individuele leden een eigen specifieke zorgplicht had die hij door het gestelde wanbeleid heeft geschonden. De leden kunnen de coöperatie onder omstandigheden verantwoordelijk houden voor het wanbeleid van [eiser 1].

3.6 Ten slotte verdient nog aantekening dat het - in een geval als het onderhavige - een ongewenste doorkruising van de regeling met betrekking tot de coöperatie als zelfstandige rechtspersoon zou betekenen indien aan de leden van de coöperatie ter zake van schade die in de bedrijfsvoering is geleden, een eigen vorderingsrecht jegens derden zou worden toegekend. Zoals blijkt uit rov. 4.7 van het vonnis van de Rechtbank komt aan dit bezwaar in het onderhavige geval ook feitelijk betekenis toe, nu ter zake van dezelfde schade verscheidene procedures worden gevoerd, waaronder één tegen Coberco, die op haar beurt [eiser 1] in vrijwaring heeft geroepen.

Van belang is allereerst dat het lidmaatschap van de coöperatie als zodanig de leden geen recht geeft rechtstreeks schade van derden te vorderen, als het gaat om in de bedrijfsvoering van de coöperatie geleden schade. Het nadeel dat de leden individueel hebben ondervonden, vloeit voort uit hun contractuele verhouding met de coöperatie. De leden hebben ter zake van te weinig ontvangen melkgelden dus slechts recht op schadevergoeding door de coöperatie indien de coöperatie jegens hen toerekenbaar is tekortgeschoten.

Voorts kan niet worden aanvaard dat [eiser 1] als (voormalig) directeur van de coöperatie zou kunnen worden aangesproken door individuele leden, terwijl hij werkzaam is geweest voor het bedrijf dat is uitgeoefend ten behoeve van alle leden. De Hoge Raad verwijst naar hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen met betrekking tot de aard van de coöperatie.

Al het vorenoverwogene brengt mee dat in het onderhavige geval alleen de coöperatie [eiser 1] als directeur aansprakelijk kan stellen voor de gevolgen van het door hem gevoerde wanbeleid en dat de leden te dier zake geen individuele vordering tegen hem kunnen instellen. Hieraan kan niet afdoen dat Heino Krause inmiddels is opgegaan in Coberco. Al haar rechten en verplichtingen zijn immers, naar in dit geding onweersproken vaststaat, overgegaan op Coberco als verkrijgende coöperatie.

3.7 Het arrest van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De door de leden aangevoerde feiten en omstandigheden zijn ontoereikend om persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser 1] jegens de leden aan te kunnen nemen. Het vonnis van de Rechtbank moet dus worden bekrachtigd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 27 april 1999;

bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 14 november 1996;

veroordeelt verweerders in cassatie in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] c.s. begroot in hoger beroep op ƒ 5.540,-- en in cassatie op ƒ 753,72 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 13 oktober 2000.