Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7418

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-10-2000
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
35246
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7418
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2000/551
FED 2000/565
BNB 2001/142 met annotatie van E. Aardema
FED 2001/134 met annotatie van D. Juch
WFR 2000/1536, 1
V-N 2000/47.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 35246

11 oktober 2000

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 februari 1999 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ¦ 4.069.860,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.J. van Hagen, advocaat te Rotterdam.

De Advocaat-Generaal Van Kalmthout heeft op 31 maart 2000 geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van ‘s Hofs uitspraak naar aanleiding van de middelen van cassatie en ambtshalve

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende behoort tot een internationaal werkzaam concern, dat als hoofdactiviteit heeft het produceren en verkopen van kartonnen verpakkingen voor vloeibare producten. Belanghebbende houdt alle aandelen in D B.V. (hierna: D), waarmee zij een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormt.

Tot en met 1990 bestonden de activiteiten van D, welke zij voor eigen rekening en risico verrichtte, uit het aankopen van karton (zogenoemd raw board), het daarop aanbrengen van een coating en het weer verkopen van het aldus bewerkte karton (hierna: coated board). D betrok het door haar te bewerken raw board van E AG (hierna: de AG), een eveneens tot het hiervóór genoemde concern behorende vennootschap, gevestigd in Zwitserland. D verkocht het coated board voor een deel aan belanghebbende ten behoeve van het fabriceren van verpakkingen en voor een ander deel aan E AG, die het op haar beurt doorverkocht aan andere bedrijven binnen het concern. Het coated board werd aan de AG verkocht tegen een op een zakelijke grondslag berustende prijs die gelijk was aan de voorcalculatorische kostprijs vermeerderd met een winstopslag van 1 %. Deze voorcalculatorische kostprijs bestond voor 80 % uit de kosten van het raw board en voor het overige uit de kosten van het coaten.

Sedert 1991 omvatten de activiteiten van D ten behoeve van de AG nog slechts het in opdracht en voor rekening van de AG aanbrengen van een coating op door de AG ter beschikking gesteld en bij deze in eigendom blijvende raw board. Zij brengt aan de AG als bewerkingsvergoeding een prijs in rekening, die gelijk is aan de voorcalculatorische kostprijs van het coaten, vermeerderd met een winstopslag van 2 %. Als gevolg van deze wijziging in de bedrijfsvoering is de winstmarge van D met 60 % gedaald.

3.2. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat D en de AG vanaf 1991 niet meer op louter zakelijke gronden met elkaar handelen en dat als gevolg daarvan de door belanghebbende sindsdien verantwoorde belastbare winsten te laag zijn. Hij heeft op grond daarvan belanghebbendes belastbare winst over 1991 in die mate verhoogd dat deze naar zijn berekening overeenkomt met de winstmarge met betrekking tot het coaten van het raw board van voorafgaande jaren.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de per 1 januari 1991 gewijzigde gang van zaken een daling van de winstmarge niet rechtvaardigt. Ervan uitgaande dat de winstmarge tot en met het jaar 1990 zakelijk was, heeft de Inspecteur naar 's Hofs oordeel de winstmarge voor het onderhavige jaar, 1991, terecht zodanig verhoogd dat deze overeenkomt met de in de voorgaande jaren met betrekking tot het coaten behaalde winstmarge. Belanghebbende is er naar het oordeel van het Hof niet in geslaagd aannemelijk te maken dat een daling van de winstmarge op het coaten gerechtvaardigd was en heeft in het bijzonder niet aannemelijk kunnen maken dat uit externe marktprijzen zou blijken dat de door D in het onderhavige jaar gehanteerde verrekenprijs eerder te hoog dan te laag is geweest.

3.4. Aan de hiervóór in 3.3 vermelde oordelen ligt kennelijk ten grondslag het oordeel dat de uit de hiervóór in 3.1 bedoelde winstopslag van 1 % voortvloeiende winst geheel was toe te rekenen aan de werkzaamheid bestaande uit het coaten van raw board en niet mede aan het door D in voorraad houden van raw board. Middel IV komt erop neer dat dit oordeel zonder nadere redengeving niet begrijpelijk is. Het middel slaagt, op de in de onderdelen 5.6 en 5.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal genoemde gronden.

3.5. Op de gronden genoemd in de onderdelen 5.8, 5.9 en 5.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is de Hoge Raad voorts ambtshalve van oordeel dat het hiervóór in 3.3 vermelde oordeel van het Hof met betrekking tot de aan externe marktprijzen te ontlenen gegevens onvoldoende is gemotiveerd.

3.6. De middelen I, II en III falen op de in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de onderdelen 3.3 en 3.4 respectievelijk 4.4 respectievelijk 5.5 genoemde gronden.

3.7. Op grond van het hiervóór in 3.4 en 3.5 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ¦ 340,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ¦ 5.680,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 11 oktober 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.