Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7402

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00290/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7402
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 489
NJ 2000, 656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 oktober 2000

Strafkamer

nr. 00290/00

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage

van 8 maart 1999 in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te

[woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een von-nis van de

Politierechter in de Arron-disse-ments-rechtbank te ’s-Gravenhage van 2 juni 1998 -

de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding

tenlastegelegde.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat uitsluitend gericht is tegen de door het Hof gegeven vrijspraken

ter zake van het aan de verdachte onder 2 t/m 5 tenlastegelegde - is ingesteld

door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van

cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan

deel uit.

De raadsman van de verdachte, mr. M.W. Stoet, advocaat te ‘s-Gravenhage, heeft

het cassatieberoep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de

bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, zal vernietigen en de

zaak zal verwijzen naar een aangrenzend gerechtshof teneinde op het bestaande

hoger beroep te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1. Bij inleidende dagvaarding is, voorzover voor de beoordeling van het middel

van belang, aan de verdachte tenlastegelegd:

“2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1992

tot en met 1 juni 1996 te Rijswijk meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een

persoon (te weten zijn, verdachte’s kind, [kind 1]), (telkens) (met kracht)

- tegen het hoofd en/of de rug en/of de billen, en/of/althans tegen het lichaam

heeft geslagen en/of

- tegen het/de be(e)n(en) heeft geslagen en/of geschopt en/of

- de arm (met kracht) op de rug heeft gedraaid en/of

- tegen de keel heeft gedrukt en/of de keel heeft dichtgeknepen, waardoor deze

(telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; art. 300 lid 1

Wetboek van Strafrecht

3. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot

en met 1 juni 1996, in elk geval in of omstreeks de maand mei 1996 te Rijswijk

meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een persoon (te weten zijn kind,

[kind 2]), (telkens) (met kracht)

- tegen het lichaam heeft geduwd en/of

- tegen het gezicht en/of het hoofd en/of de rug en/of de billen en/of/althans het

lichaam heeft geslagen en/of

- tegen het/de be(e)n(en) geslagen en/of geschopt en/of

- (telkens) (met kracht) de arm op de rug heeft gedraaid en/of

- tegen de keel heeft gedrukt en/of de keel heeft dichtgeknepen,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot en met 1 juni 1996 te

Rijswijk meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een persoon (te weten zijn,

verdachte’s, kind, [kind 3]), (telkens) (met kracht)

- tegen het hoofd en/of de rug en/of de billen en/of/althans het lichaam heeft

geslagen en/of

- tegen het/de be(e)n(en) geslagen en/of geschopt en/of

- tegen de keel heeft gedrukt en/of de keel heeft dichtgeknepen,

waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1992

tot en met 1 juni 1996, in elk geval in of omstreeks de maand(en) maart 1995

en/of februari 1996 te Rijswijk meermalen, althans eenmaal, opzettelijk een

persoon (te weten zijn, verdachte’s, kind, [kind 4]), (telkens) (met kracht)

- tegen de keel heeft gedrukt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of de arm op

de rug heeft gedraaid en/of

- tegen het hoofd en/of de rug en/of de billen en/of benen en/of/althans het lichaam

heeft geslagen en/of

- tegen het/de be(e)n(en) geslagen en/of geschopt, waardoor deze (telkens) letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art. 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht”.

3.2. Het Hof heeft de verdachte hiervan vrijgesproken. Omtrent deze vrijspraken

heeft het Hof het volgende overwogen:

"Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan

de verdachte onder (...) 2, 3, 4 en 5 is tenlastegelegd. De verdachte moet hiervan

worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 2 tot met 5 tenlastegelegde overweegt het hof met

name dat, hoewel aannemelijk is geworden dat verdachte op bepaalde momenten

hardhandig is opgetreden tegenover de in die onderdelen van de tenlastelegging

genoemde partijen, niet bewezen is dat hij daarbij de grenzen van het ouderlijk

tuchtrecht heeft overschreden en zijn optreden strafbare feiten als tenlastegelegd

heeft opgeleverd”.

3.3. Nu het beroep is gericht tegen vrijspraken moet de Hoge Raad, gezien het

eerste lid van art. 430 Sv, allereerst beoordelen of de Advocaat-Generaal bij het

Hof in dat beroep kan worden ontvangen. Daartoe dient te worden onderzocht of

de gegeven vrijspraken andere zijn dan die bedoeld in deze wetsbepaling. Dit

brengt mee dat voor het onderhavige geval eerst de vraag moet worden

beantwoord of het Hof, door te overwegen en te beslissen als hiervoor is

weergegeven, de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en van iets

anders heeft vrijgesproken dan was tenlastegelegd.

3.4. Uit deze overwegingen blijkt dat het Hof bij zijn bewijsbeslissing inzake het

onder 2 tot en met 5 tenlastegelegde mede heeft betrokken de vraag of de

tenlastegelegde feiten in verband met het aan de verdachte toekomende “ouderlijk

tuchtrecht” (telkens) een strafbare mishandeling in de zin van art. 300, eerste lid,

Sr opleveren.

3.5. Het “ouderlijk tuchtrecht” vormt evenwel geen onderdeel van de

tenlastelegging. Het Hof heeft derhalve over de vraag of bewezen is dat het

tenlastegelegde door de verdachte is begaan, niet op de grondslag van de

tenlastelegging beraadslaagd en beslist.

3.6. De gegeven vrijspraak is dus niet een vrijspraak in de zin van art. 430 Sv.

Daarvan kan immers slechts sprake zijn indien de vrijspraak steunt op het niet

bewezen zijn van het aan de verdachte tenlastegelegde, en niet indien een straf-

of kwalificatieuitsluitingsgrond aanwezig is.

3.7. Uit het voorgaande vloeit voort dat de Advocaat-Generaal bij het Hof kan

worden ontvangen in het ingestelde beroep.

4. Beoordeling van het middel

Uit hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen volgt dat het middel terecht is

voorgesteld, zodat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak in zoverre op

het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de

raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker,

en uitgesproken op 10 oktober 2000.