Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7363

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C98/383HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 470
JWB 2000/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 oktober 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/383HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.V. Kist.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 30 november 1993 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Zwolle en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 133.056,41, vermeerderd met de wettelijke rente over

ƒ 123.941,93 vanaf 1 oktober 1993 tot aan de dag van de algehele voldoening.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 2 november 1994 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Na een ingevolge een tussenarrest van 12 december 1995 op 22 maart 1996 gehouden comparitie van partijen heeft het Hof bij tussenarrest van 25 juni 1996 de zaak naar de rol verwezen voor het verstrekken van inlichtingen en het in het geding brengen van processtukken. Vervolgens heeft het Hof bij tussenarrest van 17 december 1996 de behandeling van de zaak een jaar aangehouden.

Bij eindarrest van 1 september 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

De vier vermelde arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het Hof van 25 juni 1996, 17 december 1996 en 1 september 1998 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is bestuurder van [B] B.V.

(ii) Beheersmaatschappij [C] B.V. is bestuurder van [D] Glas- en Verfhandel 's-Hertogenbosch B.V. (hierna: [D] 's-Hertogenbosch) en van B.V. Glas- en Verfgroothandel [E] (hierna: [E] Hardinxveld-Giessendam.

(iii) Blijkens een op 6 juli 1990 ten overstaan van [verweerder] verleden notariële akte heeft [B B.V.] haar onderneming verkocht aan [D] 's-Hertogenbosch, toen nog in oprichting, voor een koopsom van ƒ 895.702,95.

(iv) De dag tevoren had NMB-Heller ten laste van [B B.V.] conservatoir derdenbeslag gelegd onder [E] Hardinxveld-Giessendam voor een op ƒ 85.000,-- begrote vordering.

(v) In verband met dit beslag werd:

a. in de akte van 6 juli 1990 bepaald dat, onder de opschortende voorwaarde dat te eniger tijd het beslag definitief zal zijn opgeheven/geroyeerd, de koopprijs zal worden verhoogd met ƒ 100.000,--;

b. bij onderhandse akte van 6 juli 1990 tussen [B B.V.] en [D] 's-Hertogenbosch overeengekomen dat deze laatste een bedrag van ƒ 100.000,-- onder [verweerder] zal storten, welk bedrag zal dienen als waarborg voor de terugbetaling aan [betrokkene A] van hetgeen deze te eniger tijd zal hebben betaald ter zake van het beslag, terwijl een eventueel restant zal worden aangewend voor de (gedeeltelijke) betaling door [betrokkene A] van de extra koopprijs van ƒ 100.000,--. Aldus verkreeg [B B.V.] voor die ƒ 100.000,-- als verkoopster door middel van het depot een zekerheid tot dat bedrag, verminderd met hetgeen eventueel uit hoofde van het beslag aan NMB-Heller zou zijn betaald.

(vi) [B B.V.] heeft haar voorwaardelijke vordering van ƒ 100.000,-- op [D] 's-Hertogenbosch tot zekerheid gecedeerd aan [eiser].

(vii) Bij vonnis van 19 februari 1993 is de vordering van NMB-Heller op [B B.V.] toegewezen en het onder [E] Hardinxveld-Giessendam gelegde beslag van waarde verklaard.

(viii)Op 3 mei 1993 heeft NMB-Heller ten laste van [B B.V.] derdenbeslag gelegd onder [D]

's-Hertogenbosch.

(ix) Eind september/begin oktober 1993 heeft [verweerder] van het depot met de daarop gekweekte rente een bedrag van ƒ 100.929,31 uitgekeerd aan NMB-Heller, en het restant (ƒ 23.012,62) aan [D] 's-Hertogenbosch. Voor het doen van deze uitkeringen heeft [verweerder] aan [eiser] om toestemming gevraagd, maar [eiser] heeft die toestemming niet gegeven.

(x) Bij onherroepelijk vonnis van 6 maart 1998 heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch beslist dat [eiser] te dezer zake niets (meer) te vorderen heeft van [D] 's-Hertogenbosch, althans dat deze laatste geen schuld meer heeft aan [B B.V.].

3.2 [Eiser] vordert in dit geding betaling van het depotbedrag met de daarover gekweekte rente, stellende - kort samengevat - dat [verweerder] dat bedrag ten onrechte aan NMB-Heller en [D] 's-Hertogenbosch heeft uitbetaald en daarom gehouden is het bedrag alsnog aan hem te voldoen. De Rechtbank heeft de vordering afgewezen.

In hoger beroep heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Hetgeen het Hof daartoe achtereenvolgens in zijn tussenarrest van 25 juni 1996 en in zijn eindarrest heeft overwogen - voorzover in cassatie van belang -, kan als volgt worden weergegeven. [Verweerder] had met het doen van overboekingen uit het depot moeten wachten totdat ofwel duidelijk was of [E] Hardinxveld-Giessendam iets uit hoofde van het onder haar gelegde derdenbeslag aan NMB-Heller zou hebben betaald ofwel aan hem was gebleken dat [E] Hardinxveld-Giessendam iets uit hoofde van dat beslag diende te betalen. Klaarblijkelijk was van dat laatste geen sprake. Bij deze stand van zaken had [verweerder], juist nu in het depot een zekerheid voor [B B.V.] (en krachtens cessie voor [eiser]) gelegen was, van [E] Hardinxveld-Giessendam mogen verlangen dat deze het op een verklaringsprocedure liet aankomen. Daarenboven had [verweerder] het restant niet zonder meer aan [D] 's-Hertogenbosch mogen betalen, nu uit de onderhandse akte van 6 juli 1990 valt af te leiden dat een eventueel restant van het depot moest worden uitbetaald aan [B B.V.] (tussenarrest, rov. 4). Een en ander leidt tot het oordeel dat [verweerder] niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris (tussenarrest, rov. 5). Het feit dat [E] Hardinxveld-Giessendam geen schuld had aan [B B.V.], brengt mee dat het door NMB-Heller op 5 juli 1990 gelegde beslag niet tot resultaat zou hebben geleid en om die reden uiteindelijk opgeheven/geroyeerd zou zijn. Het handelen van [verweerder] heeft er dientengevolge toe geleid dat de zekerheid welke voor [B B.V.] respectievelijk [eiser] gelegen was in het depot, verloren is gegaan (tussenarrest, rov. 7). Dit handelen heeft echter voor [eiser] niet tot schade geleid. In de eerste plaats omdat uit het hiervoor onder 3.1 (x) genoemde vonnis van de rechtbank te

's-Hertogenbosch volgt dat [eiser] te dezer zake niets (meer) te vorderen heeft van [D]

's-Hertogenbosch, althans dat [D] 's-Hertogenbosch te dezer zake geen schuld meer heeft aan [B B.V.], zodat de vordering van [B B.V.] ter zake van het onder [verweerder] berustende depot is tenietgegaan en derhalve ook [eiser] als cessionaris geen recht op betaling uit het depot zou kunnen doen gelden; in de tweede plaats omdat het [eiser] in zijn rechtsverhouding met [verweerder] niet vrijstond zich erop te beroepen dat het op 3 mei 1993 door NMB-Heller onder [D] 's-Hertogenbosch gelegde derdenbeslag geen resultaat gehad zou hebben op grond van de onder 3.1 (vi) genoemde cessie (eindarrest, rov. 2.7).

3.3 Onderdeel 1 van het middel keert zich met een aantal klachten tegen het in het tussenarrest van 25 juni 1996 neergelegde, en in de beide daaropvolgende arresten door het Hof gehandhaafde oordeel dat de vordering van [eiser] uitsluitend strekte tot vergoeding van schade wegens onzorgvuldig handelen van [verweerder] in diens hoedanigheid van notaris. Het onderdeel berust op de stelling dat de vordering van [eiser] (mede) strekte tot uitbetaling van het onder [verweerder] berustende depot, althans van een bedrag gelijk aan het onder [verweerder] gedeponeerde.

Voormeld oordeel van het Hof is echter, in aanmerking genomen dat [eiser] naar zijn eigen stellingen niet door cessie een vordering had verkregen op [verweerder], maar een vordering op [D] 's-Hertogenbosch, niet onbegrijpelijk en getuigt evenmin van miskenning door het Hof van zijn taak als appelrechter. Dit leidt ertoe dat onderdeel 1 in zijn geheel faalt.

3.4 Onderdeel 2 komt met een aantal rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van het Hof dat [eiser] door de onjuiste handelwijze van [verweerder] geen schade heeft geleden. Het bevat in de eerste plaats de klacht dat het Hof, door in zijn eindarrest te overwegen dat [eiser] tegenover [verweerder] alleen dan aanspraak op vergoeding van schade heeft indien en voorzover [D] 's-Hertogenbosch het restant van de koopsom van ƒ 100.000,-- aan [B B.V.] schuldig is gebleven en [eiser] dat bedrag niet heeft kunnen incasseren als uitsluitend gevolg van een fout van [verweerder], blijk heeft gegeven van een verkeerd begrip omtrent de in dezen aan te leggen causaliteitsmaatstaf. Voor vergoeding komt immers in aanmerking schade die in een zodanig verband staat met de fout van [verweerder] dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van die fout kan worden toegerekend.

Deze klacht faalt reeds omdat zij niet inhoudt - en overigens ook niet valt in te zien - dat en waarom het Hof bij toepassing van de daarin verdedigde maatstaf tot een andere beslissing zou zijn gekomen of had moeten komen met betrekking tot de vraag of [eiser] als gevolg van de fout van [verweerder] schade heeft geleden.

3.5 Onderdeel 2 bevat vervolgens onder meer de klacht dat het Hof zich heeft schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feitelijke gronden van het verweer van [verweerder] door aan zijn oordeel dat [verweerder] aan [eiser] geen schade heeft berokkend, ten grondslag te leggen dat uit het onder 3.1 (x) genoemde vonnis van de rechtbank te 's-Hertogenbosch volgt dat [eiser] niets (meer) te vorderen heeft van [D] 's-Hertogenbosch, althans dat deze laatste geen schuld meer heeft aan [B B.V.], zodat de vordering van [B B.V.] ter zake van het onder [verweerder] berustende depot is tenietgegaan en derhalve ook [eiser] als cessionaris geen recht op betaling uit het depot zou kunnen doen gelden.

Deze klacht treft evenmin doel. Het stond het Hof immers vrij bij de beoordeling van het verweer van [verweerder] dat hij geen schade aan [eiser] had toegebracht, rekening te houden met alle ten processe gebleken en vaststaande feiten en omstandigheden, waaronder de inhoud van voormeld vonnis.

3.6 Ook de motiveringsklachten van onderdeel 2 die zich keren tegen het onder 3.5 vermelde oordeel van het Hof falen. Anders dan het onderdeel betoogt, is dat oordeel niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven.

3.7 Nu de onder 3.5 vermelde gronden het oordeel van het Hof dat de fout van [verweerder] voor [eiser] niet tot schade heeft geleid, zelfstandig dragen, behoeven de overige klachten geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.827,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers en J.B. Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 6 oktober 2000.