Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7362

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-10-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C98/316HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 469
NJ 2004, 58 met annotatie van W.M. Kleijn
RvdW 2000, 199
FJR 2001, 25
JWB 2000/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 oktober 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/316HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

[De man], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

Advocaat: aanvankelijk mr. R.G.E. de Vries, die zich vervolgens aan de behandeling van de zaak heeft onttrokken.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploit van 14 juli 1994 verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen als weergegeven onder 9 van deze dagvaarding;

2. in verband met die verdeling de man te veroordelen

aan de vrouw te voldoen een bedrag van ƒ 83.433,50 (c.q. een ander in goede justitie vast te stellen bedrag) met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juni 1993.

De man heeft de vorderingen bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 18 november 1994

op 19 januari 1995 gehouden comparitie van partijen heeft de vrouw bij conclusie van repliek haar eis vermeerderd tot een bedrag van ƒ 96.708,50.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 2 februari 1996 de vrouw tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 15 november 1996 de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld als overwogen in rovv. 11 en 12 van dit vonnis en vastgesteld dat de man wegens overbedeling aan de vrouw verschuldigd is een bedrag van ƒ 36.364,17 en dat de man aan de vrouw als vergoeding voor het gebruik door hem van haar aandeel in de gemeenschap een bedrag verschuldigd is al overwogen in rov. 14 van dit vonnis, tot en met 31 oktober 1996 vast te stellen op ƒ 10.004,15, te vermeerderen met het bedrag dat is vast te stellen op de wettelijke rente over de somma van ƒ 11.364,17 vanaf 1 november 1996 tot en met de dag waarop de verdeling feitelijk zal zijn gerealiseerd en de overbedeelsom is voldaan. Ten slotte heeft de Rechtbank de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van deze vergoeding en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen de vonnissen van 2 februari 1996 en van 15 november 1996 heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij memorie van grieven heeft zij haar eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 15 november 1996 en tot vaststelling van de verdeling, zoals vermeld in de toelichting op grief X.

De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 17 juni 1998 heeft het Hof in het principaal en incidenteel appèl het tussenvonnis van 2 februari 1996 bekrachtigd en het eindvonnis van 15 november 1996 vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het Hof de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen vastgesteld op de wijze als overwogen in de rovv. 4.7 tot en met 4.7.4, de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van (a) een bedrag van ƒ 26.499,17 en (b) een bedrag gelijk aan de wettelijke rente vanaf 1 april 1992 tot en met 4 februari 1994 over een bedrag van ƒ 26.499,17, en vanaf 4 februari 1994 over een bedrag van ƒ 1.499,17 tot het tijdstip waarop de vordering van de vrouw terzake van overbedeling is voldaan. Voorts heeft het Hof bepaald dat partijen gehouden zijn om de helft van de kosten, verbonden aan de uitvoering van deze verdeling, te voldoen en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Mr. R.G.E. de Vries heeft zich ter terechtzitting van 30 oktober 1998 van de man gesteld. Vervolgens heeft mr. De Vries zich ter rolle van 27 november 1998 aan de behandeling van de zaak onttrokken.

De vrouw heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 14 december 1990 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. De echtscheiding is uitgesproken bij vonnis van 15 januari 1993. Het vonnis is op 26 april 1993 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(ii) Omtrent de verdeling van de gemeenschap zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen.

(iii) Partijen zijn het erover eens dat een ten name van de vrouw gesteld spaartegoed (ƒ 45.993,-- bedragende) van de zijde van de vrouw in de gemeenschap is gevallen en dat door de man is ingebracht een niet met hypotheek belaste woning, te taxeren op ƒ 140.000,--.

3.2 Inzet van de onderhavige procedure is de verdeling

van de ontbonden gemeenschap. In cassatie is uitsluitend aan de orde de vraag of het (van het hiervoor in 3.1 onder (iii) te onderscheiden) bedrag van ƒ 76.391,30 dat tot 6 december 1990 op een spaarrekening stond bij de Rabobank ten name van de vrouw en dat op die dag door de vrouw is opgenomen en afgedragen aan de moeder van de vrouw, toch bij de verdeling van de gemeenschap in aanmerking moet worden genomen.

3.3 Het middel keert zich tegen de rov. 4.4 en 4.5 van

het Hof, waarin het Hof - evenals de Rechtbank - die

vraag bevestigend heeft beantwoord.

3.4 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Nu partijen in het onderhavige geval gehuwd waren in algehele gemeenschap van goederen en zij geen echtscheidingsconvenant hebben gemaakt, geldt de in art. 1:100 lid 1 BW neergelegde regel van verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. Een afwijking van die regel is niet geheel uitgesloten. Zij kan evenwel niet dan in zeer uitzonderlijke gevallen worden aangenomen (HR 7 december 1990, nr. 14036, NJ 1991, 593).

3.5 De in de rov. 4.4 en 4.5 van het Hof gegeven oordelen moeten als volgt worden begrepen. De vrouw is in de gegeven omstandigheden tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om voorafgaand aan het sluiten van het huwelijk met de man op 14 december 1990 aan hem mededeling te doen van de vermindering van haar vermogen op 6 december 1990 met het hiervoor in 3.2 vermelde spaartegoed van ƒ 76.391,30 en de reden van die vermindering. Tot die gegeven omstandigheden behoorden volgens het Hof in het bijzonder de omstandigheden dat de vrouw jegens haar moeder rechtens niet verplicht was het spaartegoed aan haar moeder af te geven, dat de reden voor de afdracht van dit geld aan de moeder uitsluitend gelegen was in het voorgenomen huwelijk met de man, dat de man de beschikking had over een woonhuis, waarop geen hypotheek rustte, en dat de vrouw ten tijde van de schenking wist dat de man bij een huwelijk tussen partijen dit woonhuis in de gemeenschap zou doen vallen, nu partijen geen huwelijkse voorwaarden maakten. Dit tekortschieten levert een zo uitzonderlijke omstandigheid op dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw zich jegens de man beroept op een verdeling bij helfte van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Op grond van dit een en ander is het Hof tot de slotsom gekomen dat de Rechtbank de ontbonden gemeenschap terecht niet bij helfte heeft verdeeld, maar zodanig heeft verdeeld dat het resultaat daarvan op hetzelfde uitkomt als in het geval dat ook de man een bedrag van ƒ 76.391,30 buiten de gemeenschap zou hebben gehouden.

3.6 De door het Hof vermelde omstandigheden, te weten

de niet-gehoudenheid van de vrouw tot afgifte kort vóór het huwelijk van het tot haar vermogen behorende spaartegoed aan haar moeder en de reden van die afdracht, vormen evenwel op zichzelf dan wel in samenhang met de omstandigheid dat het onbelaste woonhuis van de man in de gemeenschap zou vallen, onvoldoende grondslag voor een op de redelijkheid en billijkheid gebaseerde verplichting van de vrouw om vóór het huwelijk aan de man mededeling te doen van de plaatsgevonden hebbende vermindering van haar vermogen en van de reden van de vermindering als door het Hof aangenomen. Reeds hierom kan de slotsom waartoe het Hof is gekomen, geen stand houden.

De op het vorenoverwogene gerichte klachten van het middel zijn derhalve gegrond. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-

Hertogenbosch van 17 juni 1998;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 6 oktober 2000.