Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7308

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00733/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7308
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 22b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 474
NJ 2000, 704
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 oktober 2000

Strafkamer

nr. 00733/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 18 maart 1999 in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissements-rechtbank te Groningen van 4 december 1997 - de verdachte ter zake van “openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen” veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algememen nutte voor de duur van zestig uren, in plaats van vier weken gevangenisstraf.

1.2. Het bestreden arrest alsmede het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 1999 en de daaraan gehechte pleitnota zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt erover dat het Hof heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het namens de verdachte gevoerde verweer waarin de rechtmatigheid van de bewijsgaring en de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal wordt betwist. In de toelichting op het middel zijn daartoe citaten uit verschillende onderdelen van de in hoger beroep overgelegde pleitnota opgenomen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de raadsman een preliminair verweer heeft gevoerd. In de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota van de raadsman begint het als preliminair aangeduide verweer aldus:

"Ik ben namelijk van mening dat in deze zaak zowel de ethiek van de opsporing als de ethiek van de vervolging in het geding zijn en dat in kwestie beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden”.

Het verweer mondt uit in:

"Al met al ben ik van mening dat in deze zaak zowel de ethiek van de opsporing als van de vervolging in het geding is en dat in deze strafzaak tegen J.S. elementaire beginselen van een goede procesorde zijn geschonden.

Om die redenen verzoek ik U het OM niet-ontvankelijk te verklaren”.

3.3. Voorzover het middel zijn grondslag zoekt in citaten uit dit preliminaire verweer stuit het er op af dat het Hof bedoeld verweer niet onbegrijpelijk heeft opgevat als uitsluitend strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging. Daaraan doet niet af dat de door de politie gevolgde werkwijze in dat verweer ook eenmaal wordt aangemerkt als onverenigbaar met een eerlijke procesvoering en "dat deze bewijsgaring als onrechtmatig moet worden aangemerkt".

3.4. Voorzover het middel zijn grondslag zoekt in de in de pleitnota daarnaast vervatte bewijsverweren stuit het er op af dat hetgeen daarin is aangevoerd uitsluitend strekt tot betwisting van de betrouwbaarheid van de door getuigen afgelegde verklaringen. Hetgeen is aangevoerd houdt niet in dat zich een van de in de rechtspraak ontwikkelde bijzondere gevallen voordoet waarin de rechter gehouden is op een zodanig betrouwbaarheidsverweer bepaaldelijk en gemotiveerd te beslissen.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt erover dat het Hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op het verweer dat de handelingen van de verdachte - het naar de grond trekken van een slachtoffer en het trachten hem van zich af te houden - niet opleveren "geweld", welke term in de tenlastelegging klaarblijkelijk is gebezigd in de betekenis die art. 141 Sr daaraan toekent.

4.2. De door het Hof tot bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel 1) houdt,

voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, in dat de verdachte het slachtoffer [..] "een aantal slagen" heeft gegeven, dat hij en een mededader vervolgens [het slachtoffer] "sloegen en schopten" en dat hij en zijn mededaders het slachtoffer [getuige 1] "met kracht" hebben "geslagen en geschopt".

4.3. Het oordeel van het Hof dat deze gedragingen van de verdachte "geweld" in zin van art. 141

Sr opleveren, getuigt niet van een onjuiste uitleg van deze in de bewezenverklaarde tenlastelegging voorkomende en aldaar in dezelfde betekenis gebezigde wettelijke term. Nu het Hof andere gedragingen van de verdachte heeft bewezenverklaard dan die welke aan het verweer ten grondslag zijn gelegd, was het Hof niet gehouden bedoeld oordeel nader te motiveren.

4.4. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1 Het middel bevat de klacht dat het Hof zonder nadere

motivering een zwaardere straf heeft opgelegd dan door de Procureur-Generaal bij het Hof was gevorderd.

5.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 1999 heeft de

Procureur-Generaal aldaar gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 50 uren in plaats van vier weken gevangenisstraf. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 60 uren in plaats van vier weken gevangenisstraf.

5.3. Het Hof heeft dus een zwaardere straf opgelegd dan was gevorderd. Ingevolge art. 359,

zevende lid, Sv had het Hof derhalve in het bijzonder de redenen moeten opgeven die daartoe hebben geleid. In het bestreden arrest ontbreekt echter een dergelijke opgave. Ingevolge het tiende lid van art. 359 Sv leidt dit verzuim tot nietigheid. Het middel is dus terecht voorgesteld.

5.4. De gegrondheid van het middel zou dienen te leiden tot vernietiging van het bestreden

arrest voor wat betreft de strafoplegging en ver- of terugwijzing van de zaak in zoverre. Na afweging van alle in aanmerking te nemen belangen, waaronder het belang van een doelmatige rechtspleging, zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen en zal de duur van de onbetaalde arbeid bepalen op het in hoger beroep gevorderde aantal uren.

6. Slotsom

Het voorgaande brengt mee dat, nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de

bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, als volgt

moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de door de

verdachte te verrichten onbetaalde arbeid ten algemenen nutte;

Vermindert deze tot het in hoger beroep gevorderde aantal uren, zodat de door de verdachte te

verrichten onbetaalde arbeid ten algemenen nutte 50 uur beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 oktober 2000.