Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7307

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-10-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01753/00 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7307
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 oktober 2000

Strafkamer

nr. 01753/00 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de

Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 9 maart 2000 op een verzoek

van de deelstaat Nordrhein-Westfalen (Bondsrepubliek Duitsland) tot uitlevering

van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,

ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te

Haarlem.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan -

Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervol-ging van -deze persoon ter zake van

de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon.

Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Kengen, advocaten te

Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan

dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge

Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de verzochte uitlevering

ontoelaatbaar zal verklaren.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van

de Rechtbank dat de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar

Nederlands recht oplichting opleveren. Daartoe wordt in het bijzonder aangevoerd

dat in de feiten niet het aannemen van een valse hoedanigheid besloten ligt.

3.2. Het bij het uitleveringsverzoek gevoegde Haftbefehl van het Amtsgericht Köln

van 12 januari 2000 (505 Gs 69/00, 71 Js 410/98) bevat de uiteenzetting van de

feiten waarvoor de uitlevering is verzocht. Deze luidt:

“Im Zeitraum vom 6. August 1998 bis zum 8. August 1998 entlieh der

Beschuldigte [de opgeëiste persoon] in vier Fällen bei verschiedenen

Autoverleihfirmen Kraftfahrzeuge und brachte diese nicht zurück. Im

einzelnen handelt es sich um folgende Fälle:

1. Am 6. August 1998 entlieh der Beschuldigte bei der “Kölner Flitzer Auto

Vermietung” in Köln einen Ford Transit, amtliches Kennzeichen: [01] (Wert:

35.000,00 Deutsche Mark). Das Fahrzeug sollte am 10. August 1998

zurückgebracht werden, was jedoch nicht geschah. Dem Beschuldigten war

bereits bei Anmietung des Fahrzeugs bewusst, dass er dieses nicht

zurückbringen werde.

2. Ferner mietete der Beschuldigte am 6. August 1998 bei der Autovermietung

“Colonia” einen Daimler-Benz, Typ: Sprinter 210, amtliches Kennzeichen [02]

(Wert 50.000,00 Deutsche Mark) an und lieferte das Fahrzeug nicht wie vereinbart

zurück.

3. Bei der Firma “Europcar” in Köln-Bickendorf mietete Der Beschuldigte am 9.

August 1999 einen Mercedes Kastenwagen mit dem amtlichten Kennzeichen [03]

(Wert: 30.000,00 Deutsche Mark) und brachte diesen nicht wie vereinbart am 11.

August 1999 an die Autovermietung zurück.

4. Am Abend des 6. August 1999 entlieh er bei der “Duo Car

Kraftfahrzeugvermietung GmbH” in Köln einen Volkswagen ZD 8 (Caravelle) mit

dem amtlichen Kennzeichen [04] (Wert: 54.000,00 Deutsche Mark) und brachte

ihn nach dem vereinbarten Mietfristende nicht zurück”.

3.3. Deze uiteenzetting van de feiten laat niet de gevolgtrekking toe dat de

betrokken autoverhuurders door het gebruik van een van de in art. 326 Sr

genoemde oplichtingsmiddelen zouden zijn bewogen tot de afgifte van de auto's.

Het oordeel van de Rechtbank dat deze feiten naar Nederlands recht mede zijn te

kwalificeren als oplichting is derhalve onjuist.

Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu het middel - terecht - niet

opkomt tegen het oordeel van de Rechtbank dat de in genoemd Haftbefehl

vermelde feiten naar Nederlands recht verduistering opleveren.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat de uitlevering

ontoelaatbaar moet worden verklaard omdat de feiten in een tegen de opgeëiste

persoon in Oostenrijk gewezen vonnis op zodanige wijze zijn betrokken dat het ne

bis in idem-beginsel aan uitlevering ter zake van die feiten in de weg staat.

4.2. In haar uitspraak heeft de Rechtbank vermeld dat van het dossier onder meer

deel uitmaakt een (kopie van een) strafvonnis van "Das Landgericht für

Strafsachen Wien" d.d. 2 oktober 1998, waarbij de opgeëiste persoon tot achttien

maanden gevangenisstraf is veroordeeld.

4.3. De Rechtbank heeft een namens de opgeëiste persoon gevoerd verweer als

volgt samengevat:

“De raadsvrouwe heeft voorts betoogd dat de uitlevering ontoelaatbaar verklaard

dient te worden, aangezien er sprake is van schending van “ne bis in

idem”. Immers, in het Oostenrijkse vonnis van 2 oktober 1998 is voor het bewijs

van het strafverzwarende (“Erschwerend”) “Tatwiederholung im Rahmen

der Gewerbsmässigkeit” gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte, dat

hij - onder meer - de feiten, in verband waarmee thans uitlevering wordt

gevraagd, heeft gepleegd”.

De Rechtbank heeft ten aanzien van dat verweer onder meer overwogen:

“De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien haar uit het Haftbefehl, noch uit het

overgelegde Oostenrijkse vonnis of anderszins is gebleken, dat de opgeëiste

persoon bij genoemd vonnis is veroordeeld voor de feiten waarvoor thans de

uitlevering wordt verzocht”.

4.4. In deze overweging van de Rechtbank ligt als haar oordeel besloten dat de

feiten waarvoor thans de uitlevering wordt verzocht, in het in kracht van gewijsde

gegane Oostenrijkse vonnis niet zodanig zijn betrokken dat de opgeëiste persoon

geacht kan worden ter zake daarvan bij dat vonnis onherroepelijk te zijn berecht in

de zin van het Nederlandse voorbehoud bij art. 9 Europees Verdrag betreffende

uitlevering.

4.5. In aanmerking genomen dat:

- de eigen opgave van de opgeëiste persoon als verdachte in de Oostenrijkse

strafzaak dat hij eerder soortgelijke delicten in Duitsland heeft gepleegd blijkens

het Oostenrijkse vonnis slechts is gebezigd als een van de omstandigheden op

grond waarvan bewezen is verklaard dat de drie in Oostenrijk gepleegde feiten een

bedrijfsmatig karakter hadden, waaronder het Landgericht verstaat dat het

herhaald begaan van die feiten in de sleutel van het verwerven van een

voortdurende bron van inkomsten stond;

- de enkele vermelding van die in Duitsland begane feiten in het vonnis van het

Landgericht Wien niet is gelijk te stellen met de onherroepelijke afdoening van die

feiten op een wijze vergelijkbaar met de in Nederland toegepaste voeging ad

informandum;

geeft het oordeel van de Rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en

is het niet onbegrijpelijk. Dit oordeel van de Rechtbank draagt de verwerping van

het verweer zelfstandig. De in het middel vervatte klacht tegen hetgeen de

Rechtbank overigens ten aanzien van het verweer heeft overwogen kan daarom

onbesproken blijven.

4.6. Het middel faalt dus.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden,

terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden

uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als

volgt.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voor-zit-ter, en de

raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin

Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 oktober 2000.