Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7289

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C98/358HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten 1, geldigheid: 2000-09-29
Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten 2, geldigheid: 2000-09-29
Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten 4, geldigheid: 2000-09-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2000/222
JOL 2000, 453
NJ 2001, 95 met annotatie van T. Koopmans
RvdW 2000, 195
JAR 2000, 222
JWB 2000/155

Uitspraak

29 september 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/358HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

REESINK TECHNISCHE HANDEL B.V.,

gevestigd te Zutphen,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

t e g e n

de vereniging WERKGEVERS TECHNISCHE GROOTHANDEL, voorheen: SOCIAAL COMITÉ VAN WERKGEVERS IN DE GROOTHANDEL IN TECHNISCHE PRODUCTEN, HUISHOUDELIJKE ARTIKELEN EN METALEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Reesink - heeft bij exploit van 5 november 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Sociaal Comité - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd het Sociaal Comité te veroordelen om binnen twee dagen na het te dezen te wijzen vonnis aan Reesink of aan een door Reesink aan te wijzen derde al die stukken af te geven c.q. tot inzage te verstrekken, waaruit de in het lichaam van de dagvaarding bedoelde representativiteit, althans een zo goed mogelijke benadering daarvan, kan worden afgeleid, een en ander op straffe van een dwangsom van ƒ 10.000,-- per dag als het Sociaal Comité in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, althans een zodanige voorziening als de President in goede justitie juist acht.

Het Sociaal Comité heeft de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 18 december 1996 het Sociaal Comité veroordeeld om uiterlijk 1 februari 1997 aan het (toenmalige) accountantskantoor Coopers & Lybrand al die stukken af te geven c.q. ter inzage te verstrekken, waaruit de in het lichaam van de dagvaarding bedoelde representativiteit, althans een zo goed mogelijke benadering daarvan, kan worden afgeleid, zulks op straffe van een dwangsom van ƒ 1.000,-- per dag tot een maximum van ƒ 200.000,--, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft het Sociaal Comité hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 17 september 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Reesink alsnog afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Reesink beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Sociaal Comité heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot verwijzing en tot veroordeling van het Sociaal Comité in de kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Reesink is een onderneming die onder de werkingssfeer valt van de algemeen verbindend verklaarde CAO’s voor de Groothandel in Technische Producten, Huishoudelijke Artikelen en Metalen.

(ii) Het Sociaal Comité is een vereniging die namens de werkgevers partij is bij deze overeenkomsten.

(iii) Reesink is sinds 1994 geen lid meer van het Sociaal Comité. Zij is dan ook niet uit dien hoofde aan deze CAO’s gebonden.

(iv) De onderhavige CAO’s worden sinds jaar en dag op verzoek van het Sociaal Comité, mede namens de overige CAO-partijen, algemeen verbindend verklaard. De Wet op het Algemeen Verbindend en Onverbindend Verklaren van Bepalingen van Collectieve Arbeidsovereenkomsten (Wet AVV) bepaalt dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Minister) bepalingen van een CAO algemeen verbindend kan verklaren indien de betrokken CAO voor een, naar zijn oordeel belangrijke, meerderheid van de in een bedrijfstak werkzame personen geldt.

(v) Het Sociaal Comité heeft bij de Minister aanvragen tot algemeenverbindendverklaring van een VUT-CAO en van een Fonds Kollectieve Belangen-CAO ingediend, welke zijn gepubliceerd in de Staatscourant van 26 februari 1996 respectievelijk 15 maart 1996. In de loop van 1996 heeft het Sociaal Comité voorts een aanvraag ingediend tot algemeenverbindendverklaring van een CAO arbeidsvoorwaarden; van deze aanvraag is in de onderhavige procedure echter eerst in hoger beroep melding gemaakt.

(vi) Bij brief van 30 oktober 1996 heeft de Minister het Sociaal Comité bericht dat de door het Sociaal Comité gepresenteerde "voortgangsgegevens" niet voldeden aan de daarvoor gestelde eisen van representativiteit en dat het voor de voortzetting van de behandeling noodzakelijk was dat het Sociaal Comité de Minister vóór 1 december 1996 de benodigde correct berekende gegevens zou verschaffen en dat de juistheid van deze gegevens zou worden ondersteund door een accountantsverklaring. In deze brief is het Sociaal Comité er tevens op attent gemaakt dat Reesink de Minister heeft medegedeeld dat zij grote twijfels had over de representativiteit van de contractpartners bij de CAO, waarop de Minister vervolgde met de zinsnede:

"Wellicht verdient het aanbeveling u met "Reesink" te verstaan, alvorens u de noodzakelijke representativiteitsgegevens aan mij doet toekomen."

(vii) Op 29 november 1996 heeft het Sociaal Comité representativiteitsgegevens, alsmede een accountantsverklaring aan de Minister verstrekt. Daarbij heeft het Sociaal Comité aangegeven dat het representativiteitspercentage volgens haar 51,69 % bedroeg.

(viii) Vervolgens heeft Reesink het Sociaal Comité om afgifte dan wel inzage van die verstrekte gegevens verzocht. Aan dit verzoek is geen gehoor gegeven.

(ix) Daarop heeft Reesink de Minister om deze door het Sociaal Comité verstrekte stukken gevraagd. Deze zijn haar vervolgens op 6 december 1996 toegezonden.

(x) Nadat de President in de onderhavige procedure zijn hierna in 3.2 vermelde vonnis had gewezen, heeft de Minister besluiten genomen met betrekking tot de hiervóór vermelde aanvragen. De Minister heeft de VUT-CAO wel algemeen verbindend verklaard (mededeling Staatscourant 24 december 1996, nr. 249), de beide andere niet, dit laatste op de grond dat naar zijn inzicht aan de representativiteitseis voor die CAO’s niet was voldaan.

3.2 Reesink vordert in de onderhavige procedure, kort weergegeven, het Sociaal Comité te veroordelen op straffe van een dwangsom aan Reesink of een door Reesink aan te wijzen derde de stukken af te geven of ter inzage te verstrekken, waaruit de hiervóór bedoelde representativiteit, althans een zo goed mogelijke benadering daarvan, kan worden afgeleid.

De President heeft bij vonnis in kort geding van 18 december 1996 het Sociaal Comité veroordeeld om uiterlijk 1 februari 1997 aan het accountantskantoor Coopers & Lybrand al die stukken af te geven c.q. ter inzage te verstrekken waaruit de representativiteit, althans een zo goed mogelijke benadering daarvan, kan worden afgeleid, met bepaling van een dwangsom. Het Hof heeft het vonnis van de President vernietigd en de vordering van Reesink alsnog afgewezen.

3.3 De vordering van Reesink strekt niet tot het verkrijgen van de gegevens die het Sociaal Comité aan de Minister heeft verstrekt, maar tot het verkrijgen van gegevens aan de hand waarvan zij de juistheid van de aan de Minister verstrekte gegevens kan verifiëren, zulks met het doel om, indien het resultaat van haar onderzoek daarvoor grond mocht bieden, aanvragen van het Sociaal Comité tot algemeenverbindendverklaring te kunnen bestrijden en besluiten tot algemeenverbindendverklaring onverbindend te kunnen doen verklaren. De door het Sociaal Comité aan de Minister verstrekte gegevens had Reesink, naar hiervoor in 3.1 onder (ix) reeds is vermeld, al vóór de behandeling van het kort geding in eerste aanleg van de Minister ontvangen.

Reesink heeft de kern van de grondslag van haar vordering in punt 5 van haar memorie van antwoord als volgt geformuleerd:

"5. Met de belangen van ongebonden werkgevers die buiten hun wil beperkt worden in hun vrijheid dient uiterst zorgvuldig te worden omgegaan. Het is dan ook zaak dat, als over wordt gegaan tot algemeen verbindendverklaring, vaststaat dat aan het representativiteitsvereiste is voldaan. Bij twijfel moet er dientengevolge de mogelijkheid tot controle zijn. Nu de Minister niet zelf controleert en (...) uitsluitend afgaat op de bij het verzoek gevoegde gegevens, al dan niet ondersteund door een accountantsverklaring, heeft een ongebonden werkgever het recht om te verlangen dat hij in staat wordt gesteld de juistheid van de gegevens te controleren of te doen controleren. Dit klemt te meer nu de CAO-partijen (de aanvragers) na algemeen verbindendverklaring op grond van de Wet AVV ongebonden werkgevers rechtstreeks kunnen aanspreken op hun verplichtingen voortvloeiende uit de algemeen verbindend verklaarde CAO’s."

Aangezien noch de Wet AVV noch enige andere wetsbepaling of het ongeschreven recht een grondslag biedt voor de door Reesink ingestelde vordering, heeft het Hof de vordering terecht afgewezen, wat er zij van de daarvoor door het Hof aangevoerde gronden. De door het middel aangevoerde klachten behoeven derhalve geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Reesink in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Sociaal Comité begroot op ƒ 597,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren .H.

Heemskerk, R. Herrmann, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar

uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 29 september 2000.