Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7284

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R99/171HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 447
NJ 2000, 654
RvdW 2000, 193
FJR 2002, 1
JWB 2000/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 september 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/171HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. C.B. Schutte,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. Groen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 14 juli 1998 ter griffie van de Rechtbank te Leeuwarden ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht een regeling te treffen inzake de omgang tussen hem en zijn minderjarig kind [..], buiten echt geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996 uit verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - tot het moment dat zij de meerderjarigheid bereikt, van één dag per week dan wel van één weekeinde per veertien dagen, waarbij desgewenst gebruik zal kunnen worden gemaakt van een tussenpersoon, althans een zodanige omgangsregeling te treffen als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De moeder heeft het verzoek gemotiveerd bestreden.

Na een tussenbeschikking van 21 oktober 1998 heeft de Rechtbank bij tussenbeschikking van 17 februari 1999 de vader ontvankelijk in zijn verzoek verklaard en de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek in te stellen.

Tegen laatstvermelde beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Bij beschikking van 11 augustus 1999 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd voor zover de vader daarin ontvankelijk is verklaard in zijn inleidend verzoek en de moeder niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep tegen voormelde beschikking.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de moeder heeft bij brief van 25 mei 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

Verweerder in cassatie is de biologische vader van [het kind], geboren op [geboortedatum] 1996. Verzoekster tot cassatie is haar moeder. Omdat de moeder weigerde mee te werken aan de totstandkoming van een omgangsregeling, heeft de vader de Rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vader in dat verzoek niet kan worden ontvangen.

3.2 De Rechtbank heeft de vader ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, overwegende dat hij de biologische vader van de minderjarige is en hij voldoende bijkomende omstandigheden heeft gesteld om aannemelijk te maken dat tussen hem en de minderjarige een nauwe persoonlijke betrekking bestaat in de zin van art. 1:377f BW.

Het Hof heeft deze beslissing bekrachtigd, overwegende - samengevat - dat er tot 1 maart 1998 een zodanig regelmatig contact is geweest tussen de vader en het kind dat tussen hen een als "family life" in de zin van art. 8 EVRM aan te merken band is ontstaan, dat niet gebleken is dat die band nadien is verbroken, en dat, nu sprake is van family life in genoemde zin, een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en het kind bestaat en de vader derhalve terecht ontvankelijk in zijn verzoek is verklaard.

3.3 Onderdeel I bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk zonder nadere motivering, heeft overwogen dat regelmatig contact tussen de vader en het kind tot 1 maart 1998 in het onderhavige geval voldoende is om te beslissen dat een als "family life" aan te merken band is ontstaan.

Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Voor de ontvankelijkheid van het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling is vereist dat de verzoeker behalve het biologisch vaderschap ook bijzondere omstandigheden stelt waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een band bestaat die kan worden aangemerkt als "family life" in de zin van art. 8 EVRM (zie HR 10 november 1989, nr. 7581, NJ 1990, 628). Zodanige bijkomende omstandigheden kunnen gelegen zijn in de met het kind na de geboorte opgebouwde relatie.

Met zijn door het onderdeel bestreden oordeel heeft het Hof geen blijk gegeven het vorenstaande te hebben miskend. Dit oordeel is voorts te zeer verweven met 's Hofs waardering van de omstandigheden van het onderhavige geval om voor het overige op zijn juistheid te kunnen worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het niet.

3.4 De wetgever heeft de mogelijkheid een omgangsregeling als bedoeld in art. 1:377f BW te doen vaststellen, zoals blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal Moltmaker, nrs 2.2.3 -2.2.5), mede bestemd voor de verwekker van het kind. Het nadien op 1 april 1998 in werking getreden nieuwe art. 1:204 lid 3 BW betreft uitsluitend de in het voetspoor van de rechtspraak van de Hoge Raad aan de verwekker van een kind gegeven mogelijkheid de voor een erkenning vereiste toestemming van de moeder onder bepaalde omstandigheden te doen vervangen door toestemming van de rechtbank. Deze bepaling heeft, anders dan onderdeel II betoogt, noch tot gevolg dat voor de verwekker die niet een erkenning nastreeft, niet de mogelijkheid bestaat een omgangsregeling te doen vaststellen, noch dat aan de ontvankelijkheid van zijn op art. 1:377f BW gegronde verzoek andere eisen moeten worden gesteld dan vóór de inwerkingtreding van art. 1:204 lid 3 BW. Ook onderdeel II kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 29 september 2000.