Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7283

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/356HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7283
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 456
NJ 2000, 655
JWB 2000/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 september 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/356HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, incidenteel verweerder,

advocaat: mr. A.L.Chr.M. Oomen,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie, incidenteel

eiseres,

advocaat: mr. C.A.J. van der Meulen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - heeft bij exploit van 20 juli 1998 eiser tot cassatie verder te noemen: de man - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage.

Na wijziging van eis heeft zij gevorderd bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de man zal worden veroordeeld om binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis in kort geding te veroordelen om:

primair

1. aan de vrouw bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van ƒ 450.680,70 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1998 tot aan de dag van algehele voldoening;

2. het conservatoir en het executoriaal beslag op de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] op te heffen, onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor iedere dag dat de man in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;

3. tot afgifte van de aan de vrouw in eigendom toebehorende roerende zaken en tot medewerking binnen een door de President te bepalen termijn aan de scheiding en deling van de aan partijen gemeenschappelijk toebehorende zaken, onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor iedere dag dat de man in gebreke blijft om aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;

4. tot opheffing van het ingevolge het vonnis van de President in kort geding van 20 mei 1998 geschorste beslag op de uitkering van de man van het USZO;

5. de vrouw te machtigen dit vonnis zonodig bij lijfsdwang ten uitvoer te leggen.

subsidiair

voor het geval de President de primaire vordering onder 1. niet voor toewijzing vatbaar acht, de man te veroordelen om binnen een vast te stellen termijn aan de vrouw opgave te doen van de op 22 mei 1986 op zijn naam staande tegoeden alsmede de daarbij behorende bescheiden waaruit de juistheid van die opgave blijkt te verstrekken en met machtiging van de vrouw zo nodig die opgave en afgifte door middel van lijfsdwang af te dwingen.

De man heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.

De man heeft bij brief van 13 september 1998 de Rechtbank alsmede de President gewraakt.

Nadat de man ter terechtzitting van 16 september 1998 in de gelegenheid was gesteld zijn wrakingsverzoek in te dienen en toe te lichten, heeft de President geoordeeld dat dit verzoek onvoldoende gemotiveerd is en derhalve in redelijkheid niet kan worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van art. 29 Rv. e.v. Voorts is bepaald dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op 7 oktober 1998.

Ter terechtzitting van 7 oktober 1998 heeft de man zijn wrakingsverzoek herhaald. De President is op voornoemde grond wederom aan het wrakingsverzoek voorbijgegaan.

Vervolgens hebben de man en zijn procureur de zaal verlaten en is de behandeling van de zaak buiten hun aanwezigheid voortgezet.

De President heeft bij vonnis van 21 oktober 1998 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot wraking, de man veroordeeld om aan de vrouw bij wijze van voorschot te betalen een bedrag ad ƒ 200.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 1998, het op de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] op 18 mei 1998 gelegde executoriale beslag opgeheven, en de bij vonnis van de President van de Rechtbank 's-Gravenhage van 20 mei 1998 uitgesproken schorsing van het onder USZO gelegde executoriale beslag op de uitkering van de man van het USZO opgeheven onder de bepaling dat het herleefde beslag voortduurt totdat de vrouw middels dit beslag dan wel op andere wijze het hiervoor bedoelde voorschot ad ƒ 200.000,-- inclusief wettelijke rente daarover zal hebben ontvangen. Voorts heeft de President voornoemde veroordeling, de opheffing van het beslag en de opheffing van de schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft incidenteel appèl ingesteld.

Het Hof heeft bij arrest van 30 september 1999 het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de man veroordeeld om aan de vrouw bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van ƒ 78.503,64, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 8.421,06 vanaf 3 december 1986 en over ƒ 70.082,58 vanaf 20 juli 1998 tot aan de dag van algehele voldoening; de man veroordeeld om het op 22 september 1993 gelegde conservatoire beslag op de woning van de vrouw aan de [a-straat 1] te [woonplaats] op te heffen onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 1.000,-- voor iedere dag dat de man, nadat vier weken na betekening van dit arrest zijn verstreken, in verzuim blijft aan dit arrest te voldoen; met ingang van 21 oktober 1998 opgeheven de bij vonnis van de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 20 mei 1998 uitgesproken schorsing van het onder USZO gelegde executoriale beslag op de uitkering van de man van het USZO, onder de bepaling dat het herleefde beslag voortduurt totdat de vrouw middels dit beslag dan wel op andere wijze het hiervoor bedoelde voorschot ad ƒ 78.503,64 met de wettelijke rente daarover zal hebben ontvangen, alsmede met ingang van 21 oktober 1998 opgeheven het op de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] op 18 mei 1998 gelegde executoriale beslag. Voorts heeft het Hof de man veroordeeld om binnen twee maanden na 30 september 1999 opgave te doen van de op 22 mei 1986 op zijn naam staande tegoeden alsmede de daarbij behorende bescheiden te verstrekken en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep, met compensatie van kosten.

3. Uitgangspunten in cassatie

Voor wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels en naar het hiervoor onder 1 overwogene.

4. Beoordeling van de middelen in het principale be- roep

4.1 Middel I klaagt dat het Hof, na grief I in het incidentele appel die gericht was tegen de behandeling van het wrakingsverzoek door de President, gegrond te hebben bevonden, de zaak aan zich heeft gehouden in plaats van deze terug te verwijzen naar de rechter in eerste instantie.

In het petitum van zijn memorie van antwoord, tevens houdende incidentele memorie van grieven, heeft de man gevorderd dat het Hof, na vernietiging van het door de President gewezen vonnis, opnieuw rechtdoende de vrouw niet in haar vordering zal ontvangen, althans haar deze zal ontzeggen. Klaarblijkelijk heeft het Hof dit petitum aldus gelezen dat de man het Hof heeft verzocht om de zaak na vernietiging van het bestreden vonnis aan zich te trekken en vervolgens te beslissen zoals in het petitum wordt gevorderd. Deze uitleg van het petitum is aan het Hof voorbehouden en kan derhalve in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Die uitleg is, mede tegen de achtergrond van de toelichting op voormelde grief I waarin wordt aangevoerd dat het vonnis van de President "ambtshalve [behoort] te worden vernietigd en de zaak opnieuw ten gronde [behoort] te worden behandeld", ook niet onbegrijpelijk. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4.2 In rov. 17 heeft het Hof een aantal posten opgesomd die volgens de vrouw tot de te verrekenen vermogensbestanddelen behoren. Het oordeel van het Hof dat die posten deels onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken is, in het licht van het debat van partijen in de feitelijke instanties, niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Middel II faalt derhalve.

4.3 Middel III keert zich met motiveringsklachten tegen 's Hofs oordeel in zijn rov. 22 dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde mede tegen de achtergrond van de tussen partijen in de bodemprocedure gewezen arresten van het Hof te 's-Gravenhage van 22 september 1995 en van de Hoge Raad van 28 maart 1997, nr. 16201, NJ 1997, 581, geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Het middel faalt derhalve.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1 In zijn reeds hiervoor in 4.2 genoemde rov. 17 heeft het Hof onder (a) twee posten bij gebreke van bewijs niet in de verrekening betrokken.

Onderdeel 1 klaagt vooreerst dat die posten hun "bevestiging vinden in de door de vrouw overgelegde producties." Deze klacht kan geen doel treffen, reeds omdat de producties 2, 14 en 20, waarnaar het onderdeel ter toelichting voornamelijk verwijst, zich niet bevinden in het door de man aan de Hoge Raad overgelegde procesdossier, terwijl op het pas na de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels aan de Hoge Raad toegezonden dossier van de vrouw, gelet op de eisen van een goede procesorde in cassatie, geen acht kan worden geslagen.

Het onderdeel betoogt voorts dat het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden omdat de man tegen voormelde posten geen verweer heeft gevoerd. Ook deze klacht faalt. In 's Hofs in rov. 17 onder (a) gegeven oordeel ligt besloten het oordeel dat de man voormelde posten wel heeft bestreden. Laatstvermeld oordeel is, in het licht van het debat van partijen in de feitelijke instanties, niet onbegrijpelijk.

5.2 Het Hof heeft de man onder meer veroordeeld om aan de vrouw bij wijze van voorschot te betalen een bedrag van ƒ 78.503,64, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 8.421,06 vanaf 3 december 1986 en over ƒ 70.082,58 vanaf 20 juli 1998 tot aan de dag der algehele voldoening. De motivering van de ingangsdata van de wettelijke rente is te vinden in rov. 20. Anders dan onderdeel 2 dat zich keert tegen rov. 20, kennelijk aanneemt, bevat noch het arrest van het Hof van 22 september 1995, noch het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 1997 in de bodemprocedure, hiervoor vermeld in 4.3, een beslissing over de vraag met ingang van welke data de wettelijke rente over de verschillende posten is verschuldigd.

Voor zover het onderdeel klaagt dat het Hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de dagvaarding in de bodemprocedure die volgens de vrouw als productie 20 in het onderhavige kort geding is overgelegd, kan die klacht geen doel treffen om de reden hiervoor vermeld in 5.1, tweede alinea.

5.3 Nu de onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie kunnen leiden, moet onderdeel 3, dat op die onderdelen voortbouwt, het lot van die onderdelen delen.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, W.H. Heemskerk, R. Herrmann en A.E.M. van der Putt-Lauwers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 29 september 2000.