Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7239

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C98/299HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 439
NJ 2000, 644
RvdW 2000, 186
JWB 2000/147
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 september 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/299HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1] B.V. ([..]), gevestigd te Rotterdam,

2. [Eiseres 2] B.V., gevestigd te Ridderkerk,

3. VLADEKO B.V., gevestigd te Ridderkerk,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. E.D. Vermeulen,

t e g e n

VAESSEN-SCHOEMAKER CHEMISCHE INDUSTRIE B.V.,

gevestigd te Deventer,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1.Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: [eiseres 1] c.s. - hebben bij exploit van 5 juli 1990 verweerster in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [eiseres 1], [eiseres 2] en Vladeko, dan wel tezamen VSCI - gedagvaard voor de Rechtbank te Zutphen en gevorderd VSCI te veroordelen om aan [eiseres 1] ƒ 490.637,51 en aan [eiseres 2] en Vladeko ƒ 159.034,83 te betalen.

VSCI heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 september 1992 de vordering afgewezen voor zover deze strekt tot betaling aan [eiseres 1] van ƒ 490.637,51, en de stukken in handen van partijen gesteld ter fine als vermeld in rov. 5.6.3. van dit vonnis.

Tegen dit vonnis hebben [eiseres 1] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. VSCI heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 13 december 1994 heeft het Hof een comparitie van partijen gelast en bij tussenarrest van 2 mei 1995 een deskundigenonderzoek bevolen en daartoe vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft het Hof bij tussenarrest van 19 mei 1998 de zaak naar de rol verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden.

De arresten van het Hof van 13 december 1994 en van 19 mei 1998 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide laatstvermelde arresten van het Hof hebben

[eiseres 1] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

VSCI heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

[Eiseres 1] c.s. hebben de zaak namens hun advocaat doen toelichten door mr. W.D.H. Asser, advocaat te Amsterdam, en VSCI heeft de zaak doen toelichten door

haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping

van het beroep.

De advocaat van [eiseres 1] c.s. heeft bij brief van 1 mei 2000 gereageerd op die conclusie

3.Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) In een telefoongesprek van 5 januari 1989 tussen een werknemer van Vladeko B.V. (verder: Vladeko) en een werknemer van VSCI is door laatstgenoemde een partij plasmapoeder te koop aangeboden tegen een prijs die was gelegen onder het gangbare niveau. Dit plasmapoeder was geproduceerd uit runderbloed.

(ii) Dit aanbod is dezelfde dag per faxbericht bevestigd. Daarbij is vermeld dat het ging om een "speciale partij". Kort daarna heeft VSCI een monster van vijf kilogram van het plasmapoeder toegezonden aan Vladeko.

(iii) Vladeko heeft het monster beproefd en daarbij geen afwijkingen geconstateerd. Dit is telefonisch namens Vladeko aan VCSI meegedeeld. VCSI heeft toen 1000 kilogram plasmapoeder aan Vladeko verkocht. Deze hoeveelheid is afgeleverd op 20 januari 1989.

(iv) Vladeko heeft het plasmapoeder vanaf 25 januari 1989 gebruikt voor de productie van soepballetjes. Deze zijn afgeleverd aan [eiseres 2] B.V. (verder: [eiseres 2]). [Eiseres 2] heeft de soepballetjes doorverkocht en afgeleverd aan vier van haar afnemers die ze hebben verwerkt in soepconserven.

(v) De afnemers hebben geklaagd over onaanvaardbare smaakafwijkingen. Te dier zake is een organoleptisch onderzoek uitgevoerd door CIVO-TNO. De conclusie van dit onderzoek is dat in drie van de vier experimenten het verdachte monster een significante geur- en/of smaakafwijking vertoont.

(vi) De desbetreffende partij plasmapoeder is ook onderzocht door BCO Analytical Services B.V. te Breda. In het kader van dit onderzoek zijn monsters genomen van verschillende balen van de partij. Deze monsters zijn niet alleen afzonderlijk onderzocht, doch zij zijn ook vergeleken met een referentiemonster plasmapoeder dat niet van VSCI afkomstig was. De conclusies van dit onderzoek luidden, samengevat weergegeven, dat er tussen de monsters van de diverse balen van de onderzochte partij verschillen bestaan in asgehalte, kleur en viscositeit. Daaruit wordt geconcludeerd dat de partij niet homogeen is; dat de geurintensiteit van het verdachte plasma groter lijkt dan die van het referentiemonster; dat toevoeging van het plasma aan gehakt kan leiden tot een significant afwijkende geur en dat de verdachte plasmamonsters een afwijkende smaak kunnen hebben. Dit laatste werd overigens niet onderzocht.

(vii)[Eiseres 2] en haar aansprakelijkheidverzekeraars

hebben aan de onder (v) bedoelde afnemers in verband

met de onderhavige kwestie bij wijze van schadevergoe-ding betalingen verricht. De verzekeraars hebben

ƒ 490.637,51 betaald, [eiseres 2] ƒ 72.279,77. [Eiseres 1] & Co B.V., door de Rechtbank nader aangeduid als: [eiseres 1] assuradeuren, (verder: [eiseres 1]) en [eiseres 2] hebben door cessie de rechten verkregen van de afnemers aan wie de eerdergenoemde betalingen zijn gedaan. [Eiseres 1] is voorts als gevolmachtigde van de verzekeraars gerechtigd de schade te regelen en te verhalen.

3.2.1 In dit geding vorderen [eiseres 1] c.s. dat VSCI

zal worden veroordeeld tot, kort gezegd, vergoeding van de schade die het gevolg is van de aflevering van ondeugdelijk plasmapoeder. De Rechtbank heeft de vordering van [eiseres 1] afgewezen. Zij was van oordeel dat voor toewijzing van deze vordering vereist is dat VSCI enige schuld valt te verwijten. [Eiseres 1] heeft daaromtrent, naar het oordeel van de Rechtbank, onvoldoende gesteld. Ten aanzien van de vorderingen van [eiseres 2] en Vladeko heeft de Rechtbank haar beslissing aangehouden.

3.2.2 Het Hof heeft in zijn tussenarrest van 13 december 1994, kort weergegeven, geoordeeld dat: (1) indien komt vast te staan dat het door VSCI afgeleverde plasmapoeder in overeenstemming was met het hiervoor in 3.1 onder (ii) bedoelde monster, VSCI heeft voldaan aan haar verbintenis tot aflevering van plasmapoeder dat aan de overeenkomst beantwoordt (rov. 6.1 en 6.2); (2) de vraag of VSCI onrechtmatig heeft gehandeld jegens derden, bevestigend moet worden beantwoord indien komt vast te staan dat het plasmapoeder ondeugdelijk was als bindmiddel bij de bereiding of vervaardiging van vleesproducten (rov. 6.3); (3) voldoende aangetoond is dat de soepballetjes die met het door VSCI afgeleverde plasmapoeder waren bereid, wat smaak en reuk betreft ondeugdelijk waren; het Hof achtte met dit laatste nog niet aangetoond dat het plasmapoeder ondeugdelijk was, nu andere oorzaken, zoals de dosering, tot een 'afwijkende' geur kunnen leiden; op dit punt had het Hof behoefte aan voorlichting door deskundigen (rov. 6.6).

Bij zijn tussenarrest van 2 mei 1995 heeft het Hof een

deskundige benoemd.

In rov. 2.5 van zijn tussenarrest van 19 mei 1998 heeft het Hof met betrekking tot de op onrechtmatige daad gegronde vordering van [eiseres 1] c.s. geoordeeld dat het rapport van de deskundige niet doet vaststaan, zoals [eiseres 1] c.s. menen, dat het plasmapoeder in absolute zin ondeugdelijk was. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het onderzoek van de deskundige geen ruimte laat voor de conclusie dat het onderhavige bloedplasma bij normaal gebruik waarvoor het bestemd is, schade veroorzaakt. In het onderhavige geval is geen sprake ervan dat het product onveilig of gebrekkig is, dan wel een eigenschap heeft die ook los van de overeengekomen eigenschappen een zodanig gevaar schept of een zodanige kans op schade meebrengt dat het product niet in het verkeer gebracht mag worden. De smaakafwijking schept volgens het Hof op zichzelf geen schade, maar die schade ontstaat pas doordat het product niet kan worden gebruikt voor de bestemming waarvoor het is gekocht. Het Hof overweegt vervolgens dat het hiermee de stelling van [eiseres 1] c.s. verwerpt dat onrechtmatigheid is gegeven bij non-conformiteit van het product. Van zaaksbeschadiging is, naar het Hof overweegt, in een geval als het onderhavige geen sprake.

In de rov. 2.6 - 2.9 van zijn tussenarrest van 19 mei 1998 heeft het Hof, kort weergegeven, als zijn voorlopige conclusie uitgesproken dat voor zover de vorderingen van [eiseres 1] c.s. zijn gebaseerd op contractuele aansprakelijkheid van VSCI, het plasmapoeder niet de eigenschappen had die de koper ervan mocht verwachten. Het heeft VSCI in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij tot tegenbewijs wenst te worden toegelaten.

Het middel richt zich tegen 's Hofs tussenarresten van 13 december 1994 en 19 mei 1998.

3.3 Onderdeel 1.5.1 - de onderdelen 1.1 - 1.5 bevatten geen klacht - gaat ervan uit dat het Hof in de hiervoor in 3.2.2 onder (2) weergegeven rov. 6.3 van zijn eerste tussenarrest een bindende eindbeslissing heeft gegeven. Het onderdeel verwijt het Hof dat het in rov. 2.5 van zijn tussenarrest van 19 mei 1998 van deze eindbeslissing is afgeweken met zijn overweging dat het de stelling van [eiseres 1] c.s. verwerpt dat onrechtmatigheid is gegeven bij non-conformiteit van het product.

Het onderdeel faalt omdat het Hof klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat het in de hiervoor weergegeven rov. 6.3 van zijn eerste tussenarrest neergelegde oordeel niet een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing inhoudt. Aldus oordelende heeft het Hof zijn eigen in deze zaak eerder gewezen eigen arrest uitgelegd. Het door het onderdeel bestreden oordeel van het Hof kan dan ook als van feitelijke aard niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is het niet.

3.4.1 Onderdeel 2, dat nu eerst zal worden behandeld, is gericht tegen 's Hofs oordeel in rov. 6.2 van zijn tussenarrest van 13 december 1994 en in rov. 2.5, derde alinea, van zijn tussenarrest van 19 mei 1998, erop neerkomend dat VSCI niet als producent van het plasmapoeder kan worden aangemerkt noch aan de producent kan worden gelijkgesteld. Daaromtrent heeft het Hof in rov. 2.5, derde alinea, van zijn tussenarrest van 19 mei 1998 geoordeeld dat VSCI weliswaar aanvankelijk (ten onrechte) heeft geweigerd de naam van de producent van het plasmapoeder bekend te maken, maar dat zij op die weigering is teruggekomen en niet gezegd kan worden dat zij te dier zake onvoldoende informatie heeft verstrekt.

3.4.2 De Rechtbank heeft in haar rov. 2.1 vastgesteld dat VSCI het plasmapoeder had gekocht van het Italiaanse bedrijf Protemo s.p.a. [Eiseres 1] c.s. hebben deze vaststelling bij memorie van grieven in hoger beroep bestreden. Bij memorie van antwoord, tevens incidentele memorie van grieven, onder 5 heeft VSCI verklaard een kopie van de factuur over te leggen waarin alle gegevens betreffende Protemo s.p.a zijn vermeld. Dit stuk is als productie 1 aan genoemde memorie gehecht. In het licht van de inhoud van dit stuk is het bestreden oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Het behoefde ook geen nadere motivering. Daarop stuit het onderdeel af.

Aantekening verdient nog dat het Hof kennelijk heeft geoordeeld dat VSCI binnen redelijke termijn, hetgeen wil zeggen binnen een termijn waarvan de duur geheel afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of de te dien aanzien bestaande gebruiken, de identiteit van de producent heeft meegedeeld. Dit oordeel wordt door het middel niet bestreden.

3.5 De onderdelen 1.5.2 - 1.5.8 richten zich tegen de hiervoor reeds weergegeven rov. 2.5 tweede alinea van 's Hofs tussenarrest van 19 mei 1998. Bij de beoordeling van de in deze onderdelen vervatte klachten moet worden vooropgesteld dat, naar de Hoge Raad laatstelijk heeft overwogen in zijn arrest van 22 oktober 1999, nr. C98/043, NJ 2000, 159, naar het te dezen toepasselijke, vóór 1 januari 1992 geldende, recht evenals naar het sedertdien geldende recht, het in het verkeer brengen van een product dat bij normaal gebruik voor het doel waarvoor het bestemd was, schade veroorzaakt, onrechtmatig is jegens gebruikers van het product. Het Hof heeft, naar mede blijkt uit zijn verwijzing naar HR 6 december 1996, nr. 16137, NJ 1997, 219, deze regel niet miskend. Het heeft echter geoordeeld dat zij te dezen toepassing mist nu VSCI niet de producent van het plasmapoeder was, noch aan de producent gelijk kan worden gesteld. Door op grond van deze omstandigheden te oordelen dat voormelde regel niet van toepassing is op VSCI heeft het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Op dit een en ander stuiten de onderhavige klachten af.

3.6 Onderdeel 3 keert zich tegen 's Hofs oordeel in rov. 2.6 van het tussenarrest van 19 mei 1998, dat voor zover de vordering van [eiseres 1] c.s. is gebaseerd op onrechtmatig handelen van VSCI, zij ook moet stranden op grond van het ontbreken van schuld.

Het Hof heeft geoordeeld dat VSCI niet onrechtmatig heeft gehandeld door de aflevering van het plasmapoeder. Dit oordeel houdt, naar volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, in cassatie stand. Nu VSCI reeds wegens het ontbreken van onrechtmatigheid niet op grond van onrechtmatige daad jegens [eiseres 1] c.s. aansprakelijk is, behoeft onderdeel 3 geen behandeling meer.

4.Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres 1] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van VSCI begroot op ƒ 8.857,20 aan verschotten en

ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 september 2000.