Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7236

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
02119/99 B
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 68
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 september 2000

Strafkamer

nr. 02119/99 B

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 mei 1999 in de strafzaak

tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te

Amsterdam van 24 november 1998, voorzover aan ’s Hofs oordeel onderworpen, - het bezwaarschrift van de verdachte tegen de kennisgeving van verdere vervolging ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit ongegrond verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.G. Coumans, advocaat te Arnhem, een schriftuur met middelen van cassatie ingediend. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd

dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Gevoerde verweren

De bestreden beschikking houdt, voorzover voor de

beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

"3.2. Namens verzoeker is in de eerste plaats aangevoerd dat de strafrechter tot het oordeel zal moeten komen dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is in zijn vervolging.

Hetgeen daartoe is aangevoerd is echter onvoldoende voor die conclusie.

Dat verzoeker reeds tuchtrechtelijk is veroordeeld staat op zichzelf niet aan een strafrechtelijke vervolging in de weg. Voorts zijn de namens verzoeker aangevoerde omstandigheden onvoldoende om

te kunnen oordelen dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen

om verzoeker te vervolgen.

Met de vervolging is immers het zeer zwaarwegende belang gemoeid van handhaving van de norm dat een arts niet tot direct levensbeëindigend handelen mag overgaan dan onder zeer specifieke omstandigheden en met inachtneming van strikte zorgvuldigheidseisen.

In de onderhavige zaak staat vast dat aan een aantal voorwaarden niet is voldaan: er was geen uitdrukkelijke en consistente doodswens van de patiënte, er is geen tweede onafhankelijke arts geraadpleegd, en er is ten onrechte een verklaring van natuurlijk overlijden opgemaakt. Ook ervan uitgaande dat verzoeker integer en in het belang van zijn patiënte heeft gehandeld, zoals door en namens hem is aangevoerd, blijft het zwaarwegende belang bestaan om de handelwijze van verzoeker ter toetsing aan bovengenoemde norm aan de strafrechter voor te leggen.

Het hof beseft zeer wel dat met een vervolging ook zwaarwegende belangen van verzoeker gemoeid zijn en dat een vervolging, mede gezien de persoonlijke omstandigheden en (inter)nationale bekendheid van verzoeker, zwaar op hem en zijn gezin zal drukken. Toch weegt dat laatste niet zodanig zwaar dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot een vervolgingsbeslissing had kunnen komen.

Daarbij is mede van belang dat de positie van verzoeker als arts meebrengt dat van hem verantwoording moet kunnen worden gevraagd van zijn levensbeëindigend handelen, ook nu het een moeilijke keuze

betrof die onder zware emotionele omstandigheden moest worden gemaakt.

3.3. Voorts is namens verzoeker aangevoerd dat de strafrechter, later oordelend, tot

het oordeel zal moeten komen dat feit 1 niet bewezen kan worden, dan

wel dat verzoeker - op grond van afwezigheid van

alle schuld of handelen in een noodtoestand - zal

moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ook dat betoog gaat echter niet op.

Op grond van de gegevens in het dossier is het mogelijk om tot een bewezenverklaring te komen.

Voorts kan niet reeds thans gezegd worden dat de strafrechter hoogstwaarschijnlijk tot ontslag van rechtsvervolging zal komen. De vraag of verzoeker in een conflict van plichten verkeerde, en of hij daarbij een keus heeft gemaakt die objectief beschouwd en gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval redelijkerwijze bezien gerechtvaardigd was, valt op meer manieren te beantwoorden. Het hof verwijst hierbij naar de beslissing van het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam van 4 mei 1998 ten aanzien van verzoeker, in het bijzonder de overwegingen op bladzijde 7 en 8, waarin is geoordeeld dat de omstandigheden van het geval geen rechtvaardiging vormden voor de handelwijze van verzoeker.

3.4. Op grond van het bovenstaande oordeelt het

hof het hoger beroep van de officier van justitie

gegrond. Het is thans niet hoogst onwaarschijnlijk

te achten dat de strafrechter, later oordelend, zal

komen tot een bewezenverklaring en schuldigverklaring ter zake van feit 1.

De beschikking van de rechtbank - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal derhalve worden vernietigd en het bezwaarschrift van verzoeker tegen de kennisgeving van verdere vervolging zal ook ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde ongegrond worden verklaard”.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1. Het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat beginselen van een goede procesorde zich ertegen verzetten dat de verdachte na een tuchtrechtelijke procedure strafrechtelijk wordt vervolgd.

4.2. In uitzonderlijke gevallen kunnen beginselen van een goede procesorde in de weg staan aan het instellen van een strafvervolging. De enkele omstandigheid dat de verdachte strafrechtelijk is vervolgd ter zake van een feit waarvoor het Medisch Tuchtcollege hem inmiddels de lichtste maatregel heeft opgelegd, brengt niet mee dat van zo een uitzonderlijk geval sprake is, ook niet indien die lichtste maatregel is opgelegd wegens het geringe verwijt dat de verdachte te dier zake kan worden gemaakt.

4.3. Het Hof heeft bedoeld verweer dus terecht verworpen, zodat het middel faalt.

5. Beoordeling van het tweede middel

5.1. Het middel klaagt over de motivering van de verwerping van het verweer dat het

Openbaar Ministerie in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn beslissing om de

verdachte te vervolgen.

5.2. De niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk

gevende verwerping van bedoeld verweer door het Hof is niet onbegrijpelijk. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat een arts tot levensbeëindigend handelen overgaat met de oprechte bedoeling de belangen van zijn patiënt te dienen, niet zonder meer behoeft te impliceren dat zijn handelen in overeenstemming is met alle zorgvuldigheidseisen die dat handelen aanvaardbaar kunnen maken, waaronder in beginsel begrepen een uitdrukkelijk en consistent geuite doodswens van de patiënt en de raadpleging van een onafhankelijke arts.

5.3. Het middel treft derhalve geen doel.

6. Beoordeling van het derde middel

6.1. Het middel klaagt over de motivering van de verwerping van het beroep op noodtoestand, althans afwezigheid van alle schuld.

6.2. De Hoge Raad verstaat de aangevallen overweging van het Hof aldus dat de beslissing

van het Medisch Tuchtcollege geenszins dwingt tot de opvatting dat de verdachte heeft

gehandeld in een conflict van plichten waarin de door hem gemaakte keuze objectief

gerechtvaardigd was, en evenmin dat hem van zijn onjuiste keuze geen enkel verwijt

zou kunnen worden gemaakt. Het stond het Hof vrij die tuchtrechtelijke waardering

van het handelen van de verdachte te betrekken in zijn oordeel dat het niet hoogst

onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter zal komen tot een

schuldigverklaring van de verdachte. Mede gelet op het karakter van de onderhavige

raadkamerprocedure, was het Hof niet gehouden dit oordeel breder te motiveren dan

het heeft gedaan.

6.3. Het middel is dus vruchteloos voorgesteld.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden,

terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst en

B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier

S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2000.