Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7235

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01978/00 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 460
NJ 2000, 702
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 september 2000

Strafkamer

nr. 01978/00 U

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak

van de Arrondissementsrechtbank te

Amsterdam van 11 april 2000, parketnummer

13.99-T2-13-97218, op een verzoek van het

Verenigd Koninkrijk tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te

[geboorteplaats] (Noord-Ierland) op

[geboortedatum] 1963, zonder bekende woonplaats

hier te lande, ten tijde van de bestreden

uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring

“De Schans” te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van

[de opgeëiste persoon] aan het Verenigd

Koninkrijk deels toelaatbaar, deels

ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in

de bestreden uitspraak staat omschreven.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest

gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het cassatieberoep

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen

de bestreden uitspraak voorzover de uitlevering

daarbij ontoelaatbaar is verklaard, is

ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens

deze heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te

’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van

cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit

arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft

geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1. Het middel komt met rechts- en

motiveringsklachten op tegen de verwerping door

de Rechtbank van het verweer, daartoe

strekkende dat de uitlevering ontoelaatbaar

moet worden verklaard omdat deze een ernstig

risico oplevert voor een flagrante schending

van art. 6 EVRM in de na een plaatsgevonden

hebbende uitlevering in Schotland te voeren

procedure.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting

van de Rechtbank is aldaar namens de opgeëiste

persoon aangevoerd, dat de aard en omvang van

de publiciteit in Schotland omtrent het feit

waarvoor de uitlevering is verzocht en omtrent

de betrokkene, ertoe zullen leiden dat geen

onpartijdige jury meer kan worden samengesteld,

zodat een vervolging van de opgeëiste persoon

door een “impartial tribunal” uitgesloten is en

het in art. 6, eerste lid EVRM neergelegde

recht op een “fair trial” zal worden

geschonden. Op dezelfde gronden is aangevoerd

dat sprake is van schending van art. 6, tweede

lid, EVRM.

3.3. De Rechtbank heeft dat verweer samengevat

en verworpen zoals is weergegeven op blz. 3

e.v. van haar uitspraak.

3.4. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld

dat in het uitleveringsverkeer tussen Nederland

en het Verenigd Koninkrijk als door het EVRM

gebonden staten in beginsel moet worden

uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende

Staat bij de vervolging en bestraffing van de

opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende

fundamentele rechten welke zijn neergelegd in

het EVRM, zal respecteren. Genoemd beginsel,

waarvan de Rechtbank terecht is uitgegaan, kan

uitzondering lijden voor wat betreft art. 6

EVRM, indien blijkt dat de opgeëiste persoon

door zijn uitlevering zou worden blootgesteld

aan zodanig risico van een flagrante inbreuk op

enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht

dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland

rustende verplichting om dat recht te

verzekeren aan de nakoming van de uit het

desbetreffende verdrag, hier het Europees

Uitleveringsverdrag, voortvloeiende

verplichting tot uitlevering in de weg staat.

3.5. Het oordeel van de Rechtbank dat bijzondere omstandigheden die

aannemelijk maken dat de uitlevering een aanzienlijk risico zou opleveren voor een

flagrante schending van het recht op een “fair trial” noch zijn gesteld, noch zijn

gebleken en ook uit het rapport van Gane niet blijken, draagt de verwerping van

het verweer zelfstandig. Dat oordeel moet aldus worden verstaan dat hetgeen door

de opgeëiste persoon is aangevoerd en overigens is gebleken niet meebrengt dat

geen sprake meer kan zijn van een eerlijke berechting, terwijl ook niet blijkt van

een zodanig risico van een flagrante inbreuk op de rechten die art. 6 EVRM aan

de verdachte toekent, dat dit aan de uitleveringsverplichting in de weg staat. Het

vorenoverwogene in aanmerking genomen geeft dat oordeel geen blijk van een

verkeerde rechtsopvatting.

3.6. In het licht van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting van

de Rechtbank is dat oordeel niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen

- dat de invloed van indringende negatieve perspublicaties op het vermogen van

nog niet geselecteerde jury-leden om een onpartijdig oordeel te vellen afhankelijk

is van een aantal onbekende factoren, en het, naar de Rechtbank klaarblijkelijk

heeft geoordeeld, op voorhand niet vaststaat dat die - geruime tijd vóór een

berechting plaatsgevonden hebbende - publicaties tot het in het middel bedoelde

nadeel voor de verdachte leiden en dus een zodanig risico opleveren als hiervoor

bedoeld;

- dat het Schotse rechtssysteem, naar uit de bestreden uitspraak

volgt, maatregelen van uiteenlopende aard kent

om een dreigende schending van art. 6 EVRM

tegen te gaan;

- dat, naar de Rechtbank met haar verwijzing naar de toepassing van de

“Contempt of Law (de Hoge Raad leest: “Contempt of Court”) act 1981” tot

uitdrukking heeft gebracht, de Schotse autoriteiten voornemens zijn verdere

publiciteit als waarvan sprake is geweest tegen te gaan, en dat de namens de

opgeëiste persoon geuite kritiek op de terughoudendheid waarmee die wet

voorheen zou zijn toegepast, niet de conclusie toelaat dat zij in de toekomst bij

een mogelijke dreiging van inbreuk op het recht op berechting door een “impartial

tribunal” niet passende maatregelen op grond van die wet zullen treffen om dat

gevaar af te wenden.

3.7 Voorzover het middel, in navolging van het verweer, ook nog doelt op

schending van art. 6, tweede lid, EVRM, kan het evenmin tot cassatie leiden. Nog

daargelaten dat op dit punt alleen van belang zijn uitlatingen of gedragingen van

publieke autoriteiten waaromtrent niets specifieks is aangevoerd, zou een uitlating

van bijvoorbeeld een lid van het openbaar ministerie of een politieautoriteit welke

een schending van art. 6, tweede lid, EVRM oplevert, op zichzelf niet in de weg

staan aan een berechting die aan art. 6 EVRM voldoet. Beslissend is immers of

het gerecht onpartijdig en onbevooroordeeld is en de regel van art. 6, tweede lid,

EVRM eerbiedigt.

3.8 Het vorenoverwogene brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1 Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de afwijzing

door de Rechtbank van het verzoek ter zitting van de verdediging om aanhouding

van de zaak teneinde 1) op een nadere zitting Prof. C. Gane te Aberdeen als

deskundige te horen en 2) die deskundige in de gelegenheid

te stellen een definitief rapport te laten uitbrengen.

4.2 Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 28 maart 2000 houdt

dienaangaande het volgende in:

“De raadsvrouw vraagt om aanhouding van de zaak

- waartoe zij haar pleitnotities aan de

rechtbank overlegt, welke als bijlage 1 aan dit

proces-verbaal zijn gehecht en waarvan de

inhoud als hier ingevoegd geldt - omdat zij

Christopher Gane, professor of Scottosh Law aan

de Universiteit van Aberdeen als deskundige ter

zitting wil horen.

Zulks om haar stelling te onderbouwen dat

uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan

Schotland een ernstig risico zou opleveren voor

een glagrante schending van het recht op een

“fair trial” (artikel 6 EVRM).

Die stelling houdt in dat in Schotland een

overmaat aan, voor [de opgeëiste persoon] zeer

negatieve krantenartikelen is verschenen en dat

als gevolg daarvan geen onpartijdige jury meer

is samen te stellen.

Naar haar oordeel geeft het Schotse recht, en

de praktische toepassing daarvan, onvoldoende

waarborgen dat een aan te stellen jury

onpartijdig zal zijn.

De officier van justitie verzet zich ten

inwilliging van het verzoek van de raadsvrouw

om aanhouding van de behandeling.

Na beraad deelt de voorzitter als beslissing

van de rechtbank mede dat het verzoek van de

raadsvrouw om aanhouding van de behandeling

worden afgewezen. In het uitleveringsrecht is

geen plaats voor een dergelijke algemene

toetsing van het rechtsstelsel van een

verzoekende staat, die immers verdragspartner

is, terwijl bovendien een dergelijk onderzoek,

waarbij niet zou kunnen worden volstaan met

één, door de verdediging ingeschakelde

deskundige, zo veel omvattend zou zijn dat het

daardoor alleen al niet in een

uitleveringsprocedure past.

Dit zou slechts anders kunnen zijn indien in

het concrete geval aanwijzingen bestaan dat een

“fair trial” bij voorbaat als uitgesloten moet

worden geacht. Die aanwijzingen heeft de

rechtbank in het aangevoerde niet aangetroffen.

4.3. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is of de noodzaak

van het verzochte is gebleken. De beslissing van de Rechtbank, die van de

pleitnotities van de raadsvrouwe heeft kennisgenomen, moet aldus worden

verstaan dat die noodzaak niet aanwezig is op grond van haar oordeel, zoals dat

door de Hoge Raad hiervoor onder 3.5 is verstaan. Aldus heeft de Rechtbank de

juiste maatstaf toegepast en geen blijk gegeven van miskenning van die maatstaf.

4.4. Het middel faalt dus.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden,

terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig

oordeelt waarop de bestreden uitspraak,

voorzover aan zijn oordeel onderworpen,

ambtshalve zou behoren te worden vernietigd,

moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president

C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de

raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in

bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en

uitgesproken op 26 september 2000.