Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7234

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-09-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01226/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7234
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 september 2000

Strafkamer

nr. 01226/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van

het Gerechtshof te Arnhem van 1 februari 1999

in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 1957, zonder bekende woon- of

verblijfplaats hier te lande, ten tijde van de

bestreden uitspraak uit anderen hoofde

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting

“Lelystad” te Lelystad.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met

vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis

van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van

15 april 1997 - de verdachte vrijgesproken van

het hem bij inleidende dagvaarding onder 3

primair, 4 primair en 4 subsidiair

tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1.

“diefstal, waarbij de schuldige het weg te

nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van verbreking en valse sleutels”,

2. “opzettelijk handelen in strijd met een in

artikel 3, eerste lid, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod”, 3. “poging tot: zware

mishandeling” en 4. “handelen in strijd met

artikel 2.4.16 juncto artikel 6.1 van de

Algemene Plaatselijke Verordening Zutphen 1992”

veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf,

met verbeurdverklaring en onttrekking aan het

verkeer zoals in het arrest omschreven. Voorts

heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde

partijen toegewezen in voege als in het arrest

vermeld.

1.2. Het bestreden arrest is aan dit arrest

gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat kennelijk niet is gericht

tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld

door de verdachte.

Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude,

advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen

van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan

dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd

dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal

vernietigen, doch uitsluitend ten aanzien van

de bewezenverklaring en de kwalificatie van het

aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit,

de kwalificatie van het ten laste van de

verdachte onder 3 (de Hoge Raad leest: 2)

bewezenverklaarde feit, de strafoplegging en de

aanhaling van de bepalingen waarop die berust,

dat de Hoge Raad zal bepalen dat het onder 3

(de Hoge Raad leest: 2) bewezenverklaarde feit

oplevert het misdrijf: “opzettelijk handelen in

strijd met artikel 3, lid 1 onder C, Opiumwet”,

dat de zaak zal worden verwezen naar een

aangrenzend Gerechtshof teneinde met betrekking

tot het onder 1 tenlastegelegde feit en ten

aanzien van de strafoplegging opnieuw te worden

berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof

het onder 2 bewezenverklaarde opzettelijk

aanwezig hebben van hennepplanten ten onrechte

heeft gekwalificeerd als een overtreding van

een in art. 3, eerste lid onder B, van de

Opiumwet gegeven verbod.

3.2. Het middel is gegrond. Het

bewezenverklaarde levert op opzettelijk

handelen in strijd met een in art. 3, eerste

lid aanhef en onder C, Opiumwet gegeven verbod.

De Hoge Raad zal het bestreden arrest in

zoverre vernietigen en alsnog doen hetgeen het

Hof had behoren te doen.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof

onder 4 een overtreding heeft bewezenverklaard,

doch heeft verzuimd om art. 62 Sr aan te halen.

In de toelichting wordt aangegeven dat er bij

de strafoplegging met art. 62 Sr als bijzondere

samenloopbepaling rekening had moeten worden

gehouden.

4.2. Het Hof heeft voor de bewezenverklaarde

strafbare feiten één straf opgelegd, te weten

acht maanden gevangenisstraf. Het onder 4

bewezenverklaarde feit levert echter een

overtreding op, zodat op grond van het bepaalde

in art. 62 Sr het Hof daarvoor afzonderlijk een

straf had moeten bepalen.

4.3. Het middel is derhalve terecht

voorgesteld.

5. Beoordeling van het derde en vierde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden.

Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere

motivering nu de middelen niet nopen tot

beantwoording van rechtsvragen in het belang

van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Beoordeling van het vijfde middel

6.1. Het gaat in deze zaak om een verdachte ten

aanzien van wie - kort gezegd - onder 1 is

bewezenverklaard dat hij met het oogmerk van

wederrechtelijke toeëigening elektriciteit

heeft weggenomen, waarbij de verdachte het weg

te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van verbreking en een valse

sleutel. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen

heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte de

verzegeling van de hoofdstoppenkast heeft

verbroken en vervolgens op die kast kabels

heeft aangesloten, zodat buiten enige meter om

stroom kon worden afgetapt.

6.2. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring

niet toereikend is gemotiveerd voorzover het

betreft het gebruik van een valse sleutel.

6.3. Het middel is gegrond. Uit de gebezigde

bewijsmiddelen kan wel worden afgeleid dat de

verdachte het weg te nemen goed onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van

verbreking, namelijk door de hoofdstoppenkast

met verbreking van de verzegeling te openen,

maar niet dat de verdachte (tevens) gebruik

heeft gemaakt van een valse sleutel. Voorzover

het Hof heeft geoordeeld dat het (vervolgens)

aansluiten van de kabels het gebruik van een

valse sleutel oplevert, getuigt zulks van een

verkeerde rechtsopvatting, omdat dat aansluiten

niet kan worden beschouwd als het gebruik maken

van een valse sleutel ten- einde het weg te

nemen goed onder het bereik van de dader te

brengen.

7. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak,

voorzover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, ambtshalve zou

behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als

volgt moet worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover

aan zijn oordeel onderworpen, doch uitsluitend

voor wat betreft de beslissingen ten aanzien

van het onder 1 tenlastegelegde, de

kwalificatie van het bewezenverklaarde onder 2

en de strafoplegging;

Kwalificeert het bewezenverklaarde onder 2 als

“opzettelijk handelen in strijd met een in art.

3, eerste lid aanhef en onder C, Opiumwet

gegeven verbod”;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te

Leeuwarden opdat deze voor wat betreft het

onder 1 tenlastegelegde en voor wat betreft de

strafoplegging opnieuw wordt berecht en

afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president

C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de

raadsheren H.A.M. Aaftink en J.P. Balkema, in

bijzijn van de waarnemend-griffier E.H.

Schulten, en uitgesproken op 26 september 2000.