Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7206

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2000
Datum publicatie
03-01-2003
Zaaknummer
R99/199HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 436
NJ 2001, 228 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RvdW 2000, 185
EB 2001, 2
FJR 2001, 2
JWB 2000/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 september 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/199HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man], wonende te [plaats A],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[De vrouw], wonende te [plaats B],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J.H.F. Schultz van Haegen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 22 oktober 1998 ter griffie van de Rechtbank te Breda ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de bij beschikking van de Rechtbank te Breda van 12 mei 1997 jegens verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - vastgestelde alimentatieverplichting met ingang van 1 augustus 1998 te beëindigen.

De vrouw heeft het verzoek bestreden en harerzijds verzocht te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man voortduurt tot de datum waarop zij de leeftijd van 65 jaar zal bereiken, te weten: 25 juli 2012.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 3 februari 1999 vastgesteld dat de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw voortduurt loopt tot 10 augustus 2004. Voorts heeft de Rechtbank bepaald dat na ommekomst van deze termijn verlenging niet mogelijk is en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 29 september 1999 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man af te wijzen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar het Hof te Arnhem, met compensatie van kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.

Partijen zijn gehuwd geweest. Hun huwelijk is ontbonden nadat de rechtbank te Breda bij vonnis van 13 december 1983 tussen hen echtscheiding had uitgesproken. Bij dat vonnis werd de man veroordeeld om tot het levensonderhoud van de vrouw ƒ 3.500,-- per maand bij te dragen. Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 19 maart 1986 heeft het hof te ’s-Hertogenbosch de door de man verschuldigde alimentatie gesteld op ƒ 2.500,-- per maand. De rechtbank te Breda heeft bij beschikking van 12 mei 1997 de door de man te betalen alimentatie op diens verzoek nader vastgesteld op ƒ 2.200,-- per maand. Ten tijde van 's Hofs uitspraak bedroeg deze alimentatie ƒ 2.324,87 per maand.

3.2 In het onderhavige geding heeft de man, met een beroep op art. II van de Wet limitering na scheiding, verzocht de door de rechtbank te Breda vastgestelde alimentatie te beëindigen per 1 augustus 1998. De vrouw heeft tegen dit verzoek verweer gevoerd en verzocht te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man voortduurt tot 25 juli 2012, de datum waarop zij de leeftijd van 65 jaar zal bereiken.

De Rechtbank heeft beslist dat de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw voortduurt, loopt tot 10 augustus 2004 en bepaald dat na ommekomst van deze termijn verlenging niet mogelijk is.

Het Hof heeft de tegen deze beschikking van de Rechtbank aangevoerde grieven ongegrond bevonden. Het heeft daartoe overwogen, kort samengevat en voor zover thans nog van belang, dat de stelling van de man dat hij geen draagkracht meer heeft om nog enige alimentatie te betalen niet kan leiden tot limitering maar uitsluitend tot wijziging dan wel verlaging van de verplichting tot het verschaffen van levensonderhoud, hetgeen in dit geding niet aan de orde is gesteld (rov. 4.15). Voorts heeft het Hof overwogen dat het tot de slotsom komt dat de Rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat beëindiging van de alimentatie voor de vrouw van zo ingrijpende aard moet worden geacht, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Daaraan heeft het Hof toegevoegd dat het tevens heeft acht geslagen op het belang van de man dat gelet op zijn inkomen en schuldenpositie er een einde komt aan diens alimentatieverplichting (rov. 4.20).

Hiertegen is het middel gericht.

3.3 Bij beoordeling van de in het middel vervatte klachten moet worden vooropgesteld dat een beslissing, waarbij het verzoek van een alimentatieplichtige tot limitering van zijn verplichting tot het betalen van alimentatie is afgewezen, niet is een beslissing die een zo ingrijpend karakter heeft dat daaraan de hoge motiveringseisen moeten worden gesteld die de Hoge Raad heeft aangenomen met betrekking tot beslissingen waarbij het recht op een bijdrage voor levensonderhoud wordt beëindigd (zie laatstelijk HR 29 oktober 1999, nr. R99/009, NJ 2000, 62 en HR 28 januari 2000, nr. R99/048, RvdW 2000, 34). Een beslissing als zo-even bedoeld heeft al daarom niet een zo ingrijpend karakter, omdat ingevolge art. 1:401 BW een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud in beginsel bij latere uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.4 Het hiervoor onder 3.3 vermelde uitgangspunt in aanmerking genomen, keert het middel zich tevergeefs tegen oordelen die deels van feitelijke aard zijn, deels neerkomen op waardering van omstandigheden die niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en zozeer zijn verweven met omstandigheden van het geval dat zij voor het overige in cassatie niet op juistheid kunnen worden getoetst. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn de door het middel bestreden oordelen niet.

4. Beslissing

Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice- president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers,

O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het

openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 september 2000.