Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7199

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-09-2000
Datum publicatie
03-01-2003
Zaaknummer
C98/309HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Overgangswet 1, geldigheid: 2000-09-22
Overgangswet 69, geldigheid: 2000-09-22
Overgangswet 150, geldigheid: 2000-09-22
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 69, geldigheid: 2000-09-22
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 150, geldigheid: 2000-09-22
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 178, geldigheid: 2000-09-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 440
NJ 2001, 348 met annotatie van W.M. Kleijn
PW 2001, 21368
RvdW 2000, 187
JWB 2000/142

Uitspraak

22 september 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/309HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. DE NEDERLANDSE HERVORMDE GEMEENTE VAN DEARSUM,

gevestigd te Dearsum, gemeente Boarnsterhim,

2. DE NEDERLANDSE HERVORMDE GEMEENTE VAN TERZOOL, gevestigd te Tersoal, gemeente Boarnsterhim,

3.DE NEDERLANDSE HERVORMDE GEMEENTE VAN HARLINGEN-MIDLUM, gevestigd te Harlingen,

4.DE NEDERLANDSE HERVORMDE GEMEENTE VAN LEKKUM-MIEDUM,

gevestigd te Lekkum, gemeente Leeuwarden,

5. DE NEDERLANDSE HERVORMDE GEMEENTE VAN GOUTUM, gevestigd te Goutum, gemeente Leeuwarden,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

1. GEMEENTE BOARNSTERHIM, gevestigd te Grou,

2. GEMEENTE LEEUWARDEN, gevestigd te Leeuwarden,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman.

en tegen:

3. GEMEENTE HARLINGEN, gevestigd te Harlingen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: de hervormde gemeenten - hebben bij exploiten van 7 september 1992 verweersters in cassatie - verder te noemen: de burgerlijke gemeenten - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd voor recht te verklaren dat de burgerlijke gemeenten, ieder voor de binnen hun rechtsgebied vallende kerktoren(s) eigenares zijn van de genoemde kerktoren(s) (en deswege belast zijn met het beheer en het onderhoud van die torens).

De burgerlijke gemeenten hebben ieder afzonderlijk voor antwoord geconcludeerd de hervormde gemeenten niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, althans hun die te ontzeggen.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 17 juli 1996 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben de hervormde gemeenten hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Bij arrest van 10 juni 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben de hervormde gemeenten beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemeenten Boarnsterhim en Leeuwarden hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Tegen de gemeente Harlingen is verstek verleend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de gemeenten Leeuwarden en Boarnsterhim mede door mr. M.A. Leijten, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden arrest met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem en tot veroordeling van de burgerlijke gemeenten in de proceskosten.

De advocaat van de gemeente Leeuwarden en Boarnsterhim heeft bij brief van 12 mei 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De kerktorens van Dearsum en Terzool staan in de gemeente Boarnsterhim. De kerktoren van Midlum staat in de gemeente Harlingen. De kerktorens van Miedum en Goutum staan in de gemeente Leeuwarden, vroeger in de gemeente Leeuwarderadeel. Al deze kerktorens dateren van vóór 1798.

(ii) Na 1798 hebben de hervormde gemeenten de onderhavige kerktorens tot op heden in beheer en onderhoud gehad.

(iii) Bij onderhandse akte, geregistreerd te Leeuwarden op 25 november 1901, heeft de hervormde gemeente van Lekkum-Miedum de bewaarder der hypotheken verzocht om onder meer het eigendom, kadastraal bekend gemeente Jelsum, Sectie D, nr. 95, staande op naam van de hervormde gemeente Miedum op naam van de hervormde gemeente Lekkum-Miedum te stellen.

(iv) In het kadaster staat de hervormde gemeente Dearsum geregistreerd als eigenaar van het kerkgebouw met toren te Dearsum.

(v) In het kadaster staat de hervormde gemeente van Terzool geregistreerd als eigenaar van het kerkgebouw met toren te Terzool.

(vi) In het kadaster staat de hervormde gemeente van Harlingen-Midlum geregistreerd als eigenaar van het kerkgebouw met toren te Midlum.

3.2 In het onderhavige geding hebben de hervormde gemeenten gevorderd voor recht te verklaren dat de burgerlijke gemeenten, ieder voor de binnen hun rechtsgebied vallende kerktoren(s), eigenaren van de genoemde torens zijn (en deswege belast zijn met het beheer en onderhoud van die kerktorens).

3.3 De Rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft daartoe, kort samengevat, als volgt overwogen. De hervormde gemeenten hebben sedert de inwerkingtreding op 1 mei 1798 van art. VI van de Additioneele Artikelen tot de Acte van Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798 (verder: art. VI add.) - geciteerd in punt 2.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels - het beheer en het onderhoud van de onderhavige kerktorens voor haar rekening genomen. Dit heeft tot gevolg dat - wat er ook zij van de vraag wie eigenaar van die kerktorens is - de hervormde gemeenten haar recht om te vorderen dat de burgerlijke gemeenten het onderhoud van die kerktorens voor haar rekening nemen, hebben verwerkt. Deze rechtsverwerking is niet alleen gebaseerd op het verstrijken van inmiddels bijna twee eeuwen, maar ook op het feit dat de hervormde gemeenten zich gedurende die tijd ondubbelzinnig als eigenaren van de kerktorens hebben gedragen. Nu de hervormde gemeenten de verklaring voor recht uitsluitend hebben gevraagd om vastgesteld te krijgen dat het onderhoud van de kerktorens voor rekening van de burgerlijke gemeenten komt, hebben de hervormde gemeenten derhalve geen belang bij de door haar gevraagde verklaring voor recht.

3.4 In hoger beroep hebben de hervormde gemeenten - voor zover in cassatie van belang- onder meer als grief aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de vraag wie eigenaar van de onderhavige kerktorens is. Zij hebben erop gewezen dat de gevraagde verklaring voor recht mede van belang is voor de vragen wie de fiscale eigenaarslasten dient te dragen en wie bevoegd is tot vervreemden van die kerktorens en tot vestiging van (beperkte) rechten daarop. Het Hof heeft geoordeeld dat de hervormde gemeenten als eigenaar van de kerktorens moeten worden aangemerkt, dat aldus de basis aan de vorderingen van hervormde gemeenten is komen te ontvallen en dat de vorderingen reeds op die grond moeten worden afgewezen. Het Hof heeft vervolgens onder aanvulling c.q. verbetering van gronden het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

3.5 Het Hof heeft daartoe, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen. Vooropgesteld moet worden dat art. VI add. niet duidelijk is (rov. 6). In 1798 ging, krachtens het toen geldende recht, de eigendom van onroerend goed - behoudens in geval van verkrijgende verjaring - slechts over door traditio. Art. XIII van de Staatsregeling van 1801 - luidende: "Ieder Kerkgenootschap blyft onherroepelyk in het bezit van het gene met den aanvang dezer Eeuw door hetzelve wierd bezeten" - moet aldus worden uitgelegd dat de hervormde gemeenten bij voortduring als eigenaren van de kerktorens moeten worden erkend, overal waar zij die op 1 januari 1800 in bezit hadden en dus overal waar men ze - ingevolge art. VI add. - voor die datum niet aan de burgerlijke gemeenten had overgedragen of waar de burgerlijke gemeenten zich daarvan niet feitelijk in het bezit hadden gesteld (rov. 7). Bovendien geldt op grond van art. 3:109 BW dat als iemand een goed houdt, vermoed wordt dat hij dit voor zichzelf houdt. Deze ook al in art. 590 BW (oud) neergelegde regel vindt zijn oorsprong in het Romeinse recht. Nu vaststaat dat de hervormde gemeenten de kerktorens ook na 1798 in beheer en onderhoud hebben gehouden, wordt vermoed dat zij bezitters waren en zijn gebleven van die kerktorens. Aangezien de hervormde gemeenten onvoldoende feiten hebben gesteld ter ondersteuning van hun standpunt dat zij sinds 1 mei 1798 de kerktorens voor de burgerlijke gemeenten zijn gaan houden, laat het Hof hen niet toe tot het leveren van tegenbewijs, nog daargelaten dat een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod ontbreekt (rov. 8). Op grond van hetgeen is overwogen in de rov. 7 en 8 moet worden geoordeeld dat de hervormde gemeenten ingevolge art. XIII van de Staatsregeling van 1801 als eigenaar van de kerktorens moeten worden aangemerkt. Voor die conclusie kan ook nog steun worden gevonden in het feit dat de hervormde gemeenten in het kadaster als eigenaar van de kerktorens staan geregistreerd (rov. 9).

3.6.1 De Hoge Raad zal eerst de onderdelen 8 en 9 behandelen.

3.6.2 Onderdeel 8 klaagt dat het Hof in de laatste alinea van rov. 7 - de aanduiding in het onderdeel "r.o. 9" berust kennelijk op een verschrijving - ten onrechte uit art. XIII van de Staatsregeling van 1801 heeft afgeleid dat de hervormde gemeenten bij voortduring eigenaar zijn geweest van de kerktorens. Het onderdeel slaagt. Tegen de achtergrond van hetgeen wordt vermeld in de punten 2.10 - 2.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels moet worden aangenomen dat in de Staatsregeling van 1801 de eigendom van kerktorens niet (nader) wordt geregeld, dat art. XIII van die Staatsregeling uitsluitend een nadere bepaling bevat van de ook in art. VI add. al geregelde verdeling van kerkgebouwen onder de diverse kerkgenootschappen en dat, in overeenstemming met de heersende opvatting in rechtspraak en litteratuur, deze laatste bepaling inhoudt dat de burgerlijke gemeenten door enkele wetsduiding eigenaar van de daarbedoelde kerktorens zijn (geworden). Door deze bepaling is dus op 1 mei 1798 de eigendom van die kerktorens overgegaan op de burgerlijke gemeenten, voor zover deze al niet voordien als eigenaar moesten worden aangemerkt. Sedertdien zijn de burgerlijke gemeenten, behoudens verkrijgende verjaring door of overdracht aan een derde, gelet op het bepaalde in art. 1 van de Overgangswet van 16 mei 1829, Stb. 29, in verbinding met de art. 69 en 150 Overgangswet NBW, eigenaar van de kerktorens gebleven.

3.6.3 Ook onderdeel 9 dat zich keert tegen de slotzin van rov. 9 van het Hof (zie hiervoor in 3.5) slaagt, reeds omdat, zoals uiteengezet in 3.6.2, art. XIII van de Staatsregeling van 1801 geen regeling bevat ter zake van de eigendom van kerktorens.

3.7 Het in 3.6.2 en 3.6.3 overwogene brengt mee dat de hervormde gemeenten geen belang hebben bij behandeling van de onderdelen 1 en 2.

3.8 Nu de onderdelen 8 en 9 doel treffen, komen de onderdelen 3 - 7, die zich keren tegen rov. 8, aan de orde.

3.9 Onderdeel 3 betoogt dat de thans in art. 3: 109 BW vervatte regel eerst met het arrest van de Hoge Raad van 3 april 1924, NJ 1924, blz. 567, in volle omvang is aanvaard. Het onderdeel faalt op de gronden vermeld in de punten 2.23 - 2.28 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels.

3.10 Onderdeel 4 kan evenmin tot cassatie leiden, nu het daardoor bestreden rechtsoordeel - eveneens, doch tevergeefs bestreden door onderdeel 3 - niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden.

3.11 In overeenstemming met hun van meet af aan verdedigde stellingname hebben de hervormde gemeenten in hoger beroep ter toelichting van hun grieven I en II betoogd dat, voor zover zij al daden van beheer en/of bezit hebben verricht, deze niet ondubbelzinnig zijn geweest. Zij hebben daartoe, kort gezegd, aangevoerd dat zij zich steeds ervan bewust zijn geweest dat niet zij, maar de burgerlijke gemeenten eigenaar van de kerktorens waren. Zij hebben weliswaar onderhoud aan die kerktorens verricht, maar de reden daarvan was dat de kerkgebouwen, waarbij die torens behoren, hun eigendom zijn en die torens door hun bouwvallige staat schade dreigden toe te brengen aan bezoekers van hun kerk of de daarbij gelegen kerkhoven. Over de eigendom van de kerktorens, aldus de toelichting op grief I, is echter "door de decennia heen altijd dispuut geweest". Tegen de achtergrond van deze stellingname klaagt onderdeel 5 terecht dat het Hof zijn in rov. 8 besloten liggende oordeel dat de hervormde gemeenten als ondubbelzinnige bezitters van de desbetreffende kerktorens moeten worden aangemerkt, ontoereikend heeft gemotiveerd.

3.12 Voor zover onderdeel 7 strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat de algemene regels van stelplicht en bewijslast meebrengen dat, nu de hervormde gemeenten het vermoeden dat zij bezitters van de kerktorens zijn gebleven, hebben tegengesproken, op de burgerlijke gemeenten de bewijslast rust van het bezit van de hervormde gemeenten van die kerktorens, faalt het, nu die algemene regels zulks niet meebrengen.

Het onderdeel slaagt echter voor zover het klaagt dat het Hof de hervormde gemeenten niet heeft toegelaten tot tegenbewijs tegen het door het Hof aangenomen vermoeden dat de hervormde gemeenten bezitters zijn van de kerktorens. Immers, de in 3.11 vermelde stellingname van de hervormde gemeenten laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat de hervormde gemeenten aan hun stelplicht hebben voldaan, terwijl anders dan het Hof heeft aangenomen een bewijsaanbod tot het leveren van tegenbewijs niet behoeft te worden gespecificeerd (HR 9 januari 1998, nr. 8939, NJ 1999, 413).

3.13 Nu zowel onderdeel 5 als onderdeel 7 doel treft, behoeft onderdeel 6 geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 juni 1998;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt de burgerlijke gemeenten in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de hervormde gemeenten begroot op ƒ 788,97 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, R. Herrmann, J.B. Fleers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 september 2000.