Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7158

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35250
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Kostenwet invordering rijksbelastingen 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2001/33
FED 2000/529
BNB 2000/375 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
WFR 2000/1442
V-N 2000/44.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35250

20 september 2000

gewezen op het beroep in cassatie van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maassluis (hierna: B en W) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 2 maart 1999 betreffende de aan X te Z in rekening gebrachte explootkosten voor het betekenen van een dwangbevel.

1. Beschikking en bezwaar

Aan belanghebbende is ter zake van het betekenen van een dwangbevel ter invordering van f 10,-- aan onbetaald gebleven onroerendezaakbelastingen, in rekening gebracht een bedrag van f 50,--, welk bedrag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de ontvanger der gemeente Maassluis (hierna: de ontvanger) is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de ontvanger in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak, alsmede de beschikking waarbij aan belanghebbende de explootkosten van f 50,-- in rekening zijn gebracht, vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

B en W hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is in gebreke gebleven de op 31 juli 1997 vervallen laatste termijn ten bedrage van f 110,-- van een haar opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Maassluis tijdig te voldoen. Met dagtekening 20 augustus 1997 is belanghebbende aangemaand het verschuldigde bedrag alsmede de kosten van aanmaning van f 10,-- te voldoen. Met valutadatum 27 augustus 1997 is als betaling op de onderhavige aanslag een bedrag van f 110,-- op de bankrekening van de gemeente bijgeschreven. Het op de aanslag openstaande bedrag van f 10,--, alsmede de vervolgingskosten van f 50,-- terzake van een op 19 september 1997 aan belanghebbende betekend dwangbevel zijn onbetaald gebleven.

3.2. Voor het Hof was in geschil of de ontvanger van de gemeente Maassluis terecht explootkosten tot een bedrag van f 50,-- in rekening heeft gebracht ter invordering van een resterend bedrag aan belasting van f 10,--.

3.3. Het Hof heeft vastgesteld dat de gemeente het beleid heeft dat alle openstaande belastingbedragen daadwerkelijk worden ingevorderd, zulks teneinde een goed betalingsgedrag van de contribuabelen te bevorderen en te handhaven, en voorts om de invorderingskosten zo veel mogelijk te verhalen op diegene die deze kosten heeft veroorzaakt, zulks teneinde te bereiken dat deze kosten zo min mogelijk dienen te worden opgebracht door andere contribuabelen. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat het aan de gemeente is dit beleid vast te stellen en hiermede bij de besluitvorming rekening te houden, in welk oordeel ligt besloten dat de gemeente bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het voeren van een dergelijk invorderingsbeleid heeft kunnen besluiten.

3.4. Het hiervoor overwogene brengt mee dat het Hof nog slechts had te beoordelen of het invorderingsbeleid bij het nemen van het onderhavige besluit tot invordering van het resterende bedrag van f 10,-- mocht worden toegepast, hetgeen niet het geval is indien bijzondere omstandigheden in redelijkheid tot een afwijking van dat beleid noopten.

3.5. Het Hof heeft deze maatstaf blijkens zijn uitspraak niet miskend, maar ten onrechte geoordeeld dat de gemeente in het onderhavige geval in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen rauwelijks tot betekening van het exploot aan belanghebbende over te gaan. De in dit verband door het Hof genoemde omstandigheden kunnen dat oordeel immers niet ondersteunen. De omstandigheid dat, gelet op de datum van de aanmaning en die van de bijschrijving, een redelijk vermoeden bestond dat de betaling de aanmaning had gekruist, is onvoldoende omdat belanghebbende reeds voordien in gebreke was met de betaling van de laatste termijn en zij niet zonder meer ervan mocht uitgaan dat de verschuldigd geworden aanmaningskosten wel zouden worden kwijtgescholden. Dit geldt te meer nu in de tot de stukken van het geding behorende aanmaning is vermeld dat indien aan het betalingsverzoek geen, dan wel slechts gedeeltelijk gevolg wordt gegeven, de invorderingskosten met minimaal f 50,-- toenemen. Ook de door het Hof genoemde omstandigheid dat - naar de gemeente uit het betalingsgedrag van belanghebbende gedurende twintig jaar bekend kon zijn - belanghebbende niet onwillig was de verschuldigde belasting en aanmaningskosten tijdig te voldoen, geeft geen grond voor het oordeel dat de gemeente in redelijkheid niet, althans niet zonder voorafgaande waarschuwing, tot invordering van het resterende belastingbedrag mocht overgaan.

3.6. De hiertegen gerichte onderdelen van het middel slagen derhalve. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen, nu de stukken van het geding geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld in overweging 3.4 zich hier niet hebben voorgedaan.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

- bevestigt de uitspraak van de ontvanger.

Dit arrest is op 20 september 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, D.H. Beukenhorst, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier I. de Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.